direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Verwondering Noordereiland
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het project 'De Verwondering' is een uitbreidingswijk bij de kern Nieuwveen. Voor 'De Verwondering' is in 2012 een stedenbouwkundig plan gemaakt. Beoogd wordt een woonplek met een uitgesproken identiteit, waar verwezen wordt naar wonen in een landelijk gebied. De verschillende eilanden binnen het plan (Noordereiland, Parkeiland en Zuidereiland) krijgen alle drie een andere landschappelijke inrichting.

Het bestemmingsplan 'De Verwondering' is op 25 april 2013 vastgesteld. In dit bestemmingsplan is ook het Noordereiland opgenomen. In het oorspronkelijke plan werd rondom het Noordereiland een landschappelijke rand met fruitbomen aangelegd, als overgangszone tussen de kavels en het water. Deze rand is vastgelegd in het voorgaande bestemmingsplan 'De Verwondering'. Maar naar aanleiding van de ervaringen bij de verkoop van de kavels, ondermeer bij het Parkeiland, is inmiddels duidelijk geworden dat kopers graag een kavel direct aan het water hebben. De landschappelijke rand met fruitbomen maakt dit onmogelijk. Daarnaast is voor het Noordereiland, net als bij het Parkeiland, in het bestemmingsplan een aanduiding voor de landschappelijke inpassing opgenomen. De invulling hiervan bestaat uit een haag rondom de kavels. Uit de ervaringen op Parkeiland is gebleken dat het lastig is om de haag te handhaven, omdat deze deels op de private kavels zelf staat. Met dit voortschrijdende inzicht wordt er nu gekeken naar mogelijkheden van een inrichting zonder haag.

Er is daarom voor het Noordereiland een aangepaste uitwerking van het stedenbouwkundig plan gemaakt (Stedenbouwkundig plan Noorder- en Zuidereiland, Vollmer & Partners, 31 oktober 2017), deze is als bijlage 1 opgenomen bij deze toelichting. Hierin heeft een herschikking van de kavels op het Noordereiland plaatsgevonden. In dit plan is de rand met fruitbomen niet meer aanwezig is en heeft het landschappelijke wonen op een andere manier invulling gekregen. Om de nieuwe verkaveling met 34 woningen van het Noordereiland te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan 'De Verwondering' voor wat betreft het Noordereiland nodig. Hierin komen hoofdzakelijk dezelfde bestemmingen voor als in het voorgaande bestemmingsplan, maar met een iets andere ligging.

1.2 Plangebied

Het plangebied wordt gevormd door het Noordereiland van 'De Verwondering'. Het plangebied is ca. 4,7 ha groot.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0001.jpg"

Ligging plangebied (rood omkaderd) bron: Google earth

Aan de noordzijde wordt de grens gevormd door de watergang waarmee het Noordereiland grenst aan de bestaande lintbebouwing van de Oude Nieuwveenseweg. Ten oosten ligt de watergang die de grens vormt met de bestaande bebouwing van Nieuwveen. Ten zuiden van het plangebied ligt de watergang die het Noordereiland scheidt van het Parkeiland. Aan de westzijde ligt een watergang met daarachter de golfbaan.

1.3 Voorgaand bestemmingsplan

De gronden in dit bestemmingsplan zijn onderdeel van het bestemmingsplan 'De Verwondering'. Dit voorgaande bestemmingsplan is vastgesteld door de raad van de gemeente Nieuwkoop op 25 april 2013.

In het voorgaande bestemmingsplan hadden de gronden de bestemming 'Woongebied - 2', 'Groen', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Water'. Er konden maximaal 54 woningen gerealiseerd worden en langs de buitenste rand van de bestemming 'Woongebied - 2' was de functieaanduiding 'specifieke vorm van woongebied - landschappelijke inpassing' opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0002.jpg"

Uitsnede voorgaand bestemmingsplan met plangebied (rood omkaderd)

Door de bestemming 'Groen' langs de rand van het eiland zijn woonkavels aan het water niet mogelijk. Om de realisering van het aangepaste stedenbouwkundige plan mogelijk te maken is deze herziening van het bestemmingsplan 'De Verwondering' voor wat betreft het Noordereiland nodig.

1.4 Leeswijzer

In de navolgende hoofdstukken worden de volgende onderwerpen behandeld:

  • Hoofdstuk 2: beschrijving van de huidige en toekomstige situatie binnen het plangebied;
  • Hoofdstuk 3: toetsing van het project aan het beleid van rijk, provincie en gemeente;
  • Hoofdstuk 4: beschrijving van uitgevoerde omgevingsonderzoeken op het vlak van onder andere natuur en milieu en archeologie;
  • Hoofdstuk 5: toetsing van het plan aan de waterhuishouding;
  • Hoofdstuk 6: toelichting op de planvorm en planregels;
  • Hoofdstuk 7: beschrijving van de economische uitvoerbaarheid;
  • Hoofdstuk 8: in dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het initiatief

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied. Eerst komt de beschrijving van de huidige situatie aan bod; daarna wordt ingegaan op de aanleiding voor de ontwikkeling, het programma en de inrichting.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt ten westen van de bebouwde kom van Nieuwveen. Het gebied was in gebruik voor agrarische doeleinden. Met het vaststellen van het bestemmingsplan 'De Verwondering' op 25 april 2013 is het in gebruik nemen van het gebied als woongebied reeds mogelijk gemaakt.

De ontwikkeling van het project 'De Verwondering' hangt samen met de sanering en transformatie van het glastuinbouwgebied de Noordse Buurt. In samenspraak met de provincie Zuid-Holland en het Rijk zijn in 2009 ten behoeve van de financiële uitvoerbaarheid daarvan afspraken gemaakt over de realisatie van 430 woningen binnen de gemeentegrenzen van Nieuwkoop. Hiervoor zijn in de Structuurvisie Nieuwkoop 2040 zogenaamde sleutelprojecten vastgelegd, waarin de realisatie van de woningen is opgenomen. Het Rijk heeft voor het sleutelproject 'De Verwondering' toegestaan dat maximaal 100 woningen worden gerealiseerd. In het bestuurlijk overleg tussen gemeente, provincie en rijk van 15 juni 2009 is afgesproken dat het aantal te bouwen woningen op deze locatie buiten de provinciale rode contour binnen de 20 Ke-zone maximaal 100 mag bedragen.

Het stedenbouwkundig plan voor 'De Verwondering' richt zich op wonen op een plek met een uitgesproken landelijke identiteit. De verschillende eilanden (Noordereiland, Parkeiland, Zuidereiland) krijgen alle drie een andere landschappelijke inrichting. Voor een verdere beschrijving van het planconcept voor 'De Verwondering' wordt verwezen naar paragraaf 2.2 van het voorgaande bestemmingsplan.

Inmiddels is de waterstructuur rond de eilanden gegraven. De ontsluitingsweg, de Laan der Verwondering (buiten het plangebied), is aangelegd en de bomen hierlangs zijn geplant. Op het Parkeiland is een groot deel van de woningen gebouwd. Het Noordereiland bestaat nu uit grasland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0003.jpg"

Het Noordereiland gezien vanaf de Laan der Verwondering op Parkeiland

2.2 Toekomstige situatie

Er is voor het Noordereiland een uitwerking van het stedenbouwkundig plan gemaakt (Stedenbouwkundig plan Noorder- en Zuidereiland, Vollmer & Partners, 31 oktober 2017), zie bijlage 1. Het ontwerp wordt gekenmerkt door brede lommerrijke lanen, waardoor er een groene en ontspannen woonwijk met allure ontstaat. Door de geknikte wegen ontstaat er afwisseling in het straatbeeld. De brede groene lanen geven het Noordereiland een eigen karakter, waardoor er een bijzonder, niet-standaard woonmilieu ontstaat. De privacy en het wonen in de luwte uit het stedenbouwkundig plan worden in het nieuwe ontwerp nog verder versterkt door de brede lanen en de lagere dichtheid, waardoor er ruime uitzichten over de wegen en tussen de woningen door ontstaan, en door het ontbreken van directe verbindingen met de omgeving. Middenin het Noordereiland komt een park dat ruimte biedt voor (collectief) gebruik door de bewoners en een speelvoorziening mogelijk maakt met een goede sociale veiligheid. De bestemming 'Groen' wordt hiervoor verplaatst van de buitenrand naar het midden van het eiland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0004.jpg"

Stedenbouwkundig plan Noordereiland

Het programma voor het wonen op het Noordereiland bestaat geheel uit vrije kavels, waar bewoners hun eigen vrijstaande woning kunnen realiseren. In totaal komen er 34 woningen op het Noordereiland, 20 minder dan er in het voorgaande bestemmingsplan waren toegestaan. Tevens voorziet het voorliggende bestemmingsplan - anders dan het voorgaande bestemmingsplan - uitsluitend in vrijstaande woningen. De woningen zijn met de voorzijde naar het groen gericht en liggen voor een groot deel met de achterzijde aan het water. De ruime kavels passen bij het beeld van een groene villabuurt.

Er grenzen geen achtertuinen aan de openbare ruimte op het Noordereiland, alleen voor- en zijkanten van kavels. Er zullen daarom geen schuttingen of schuren zijn die het straatbeeld bepalen. Hierdoor is een verplichte haag niet noodzakelijk en is deze uit het bestemmingsplan gehaald. Er is ook geen beeldkwaliteitsplan meer opgenomen.

De groene rand aan de oostzijde zorgt samen met het water voor een afstand van circa 35 meter tussen de bestaande woningen van de aangrenzende woonwijk Nieuw Venne I en de nieuwe woningen en biedt ruimte aan een natuurvriendelijke oever.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een samenvatting gegeven van het beleidskader van rijk, provincie en gemeente.

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) betreft een actualisatie van het ruimtelijke en het mobiliteitsbeleid. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 in werking getreden. De SVIR zet een selectief ruimtelijk beleid neer dat meer overlaat aan provincies en gemeenten. Minder nationale belangen en eenvoudigere regelgeving.

Het Rijk stelt heldere ambities voor Nederland in 2040, die inspelen op de (inter)nationale ontwikkelingen die de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven bepalen richting 2040. Het Rijk zet het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid in voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland.

Het Rijk laat de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan de provincies. De (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking wordt overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders.

Van belang voor het onderhavige plangebied is met name het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Er is inmiddels een wijzigingsbesluit Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) geluid en externe veiligheid. De nieuwe regels zijn per 1 januari 2018 in werking getreden. In paragraaf 4.1 wordt hier nader op ingegaan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 17 december 2011 in werking getreden. Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om een aantal nader genoemde nationale belangen. In het plangebied zijn geen expliciet aangewezen nationale belangen aan de orde.

3.1.3 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het nationaal ruimtelijk beleid.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is een structuurvisie op provinciaal niveau en bevat de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid van de provincie Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit is vastgesteld op 9 juli 2014.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving.

De (VRM) bestaat uit meerdere onderdelen: de Visie, het Programma ruimte, het Programma mobiliteit, de Verordening ruimte en de Agenda ruimte.

Programma ruimte

Het Programma ruimte is een uitwerking van de VRM. Het programma beschrijft de operationele doelen en geeft aan welke instrumenten (realisatiemix) worden ingezet om die doelen te bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio's en provincie.

Programma mobiliteit

Het Programma mobiliteit is ook een uitwerking van de VRM. Het programma beschrijft de operationele doelen en concrete maatregelen. Het programma mobiliteit kent een grotere dynamiek dan de Visie. Het kan hierdoor bijvoorbeeld in samenhang met een nieuw collegeprogramma elke vier jaar worden geactualiseerd. Daarbij wordt verbinding gelegd met de verschillende uitvoeringsprogramma's, beleidsuitwerkingen en verordeningen zoals deze al bestaan voor mobiliteit.

Verordening ruimte

Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan een verordening er een is. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening ruimte 2014 regels opgenomen over (onder meer) de ruimtelijke kwaliteit.

Agenda ruimte

In de Agenda ruimte 2015 heeft de provincie uitgewerkt wat nodig is om de gewenste ontwikkelingen samen met partners of alleen te realiseren. De Agenda ruimte is een van de instrumenten waarmee de door de provincie gestelde doelen uit het Programma ruimte tot uitvoering gebracht worden.

De Actualisering 2016 van de VRM is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten en op 12 januari 2017 in werking getreden. Hiermee zijn wijzigingen doorgevoerd in de Visie ruimte en mobiliteit, het Programma ruimte, de Verordening ruimte 2014 en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De Actualisering 2016 heeft betrekking op onder meer de 3 ha-kaart (zie hieronder) en de actualisering van de regionale visies voor wonen.

Bij het opstellen van het voorgaande bestemmingsplan is getoetst aan het provinciaal beleid. Hierbij is het gehele plan 'De Verwondering' akkoord bevonden. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet voor wat betreft het Noordereiland met name in een andere verkaveling.

Volgens de Verordening ruimte moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan. Bij de meest recente actualisatie staat 'De Verwondering' op de 3 ha-kaart. Hiermee is er in het nieuwe vastgestelde beleid geen verandering ten aanzien van de ontwikkeling van 'De Verwondering'.

3.2.2 Provinciale woonvisie

De provinciale woonvisie is in juli 2014 opgegaan in de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM). In het nieuwe beleid zijn de vereisten, waaraan een regionale woonvisie moet voldoen, verder verduidelijkt. Om beleidsmatig de basis te bieden voor de volgende ronde van actualisering van de regionale woonvisies, is het nodig de teksten hierover in het Programma ruimte aan te passen.

Gedeputeerde Staten hebben de regionale woonvisies, waaronder de woonagenda van de regio Holland Rijnland, aanvaard tot 1 juli 2017. Vóór die tijd is aan de regio's gevraagd de visies te actualiseren. Bij deze actualisering zet de provincie in op een doorontwikkeling van de regionale woonvisies, samen met de gemeenten en regio's, om ze kwalitatiever en integraler te maken. De actualisering van de regionale woonvisies leidt tot mutaties op de 3 ha kaart in het Programma ruimte. Op de 3 ha kaart en de bijbehorende tabellen staan stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 ha buiten bestaand stads- en dorpsgebied aangeduid. 'De Verwondering' staat op de meest recente versie hiervan. Hiermee is er in het nieuwe vastgestelde beleid geen verandering ten aanzien van de ontwikkeling van 'De Verwondering'.

De oorspronkelijke aanleverdatum voor de geactualiseerde regionale woonagenda was 1 juli 2017, met uitstel tot 31 december 2017. Naar verwachting zal de nieuwe regionale woonagenda voorjaar 2018 worden aangeboden aan de provincie. Totdat de provincie de nieuwe RWA en planlijst heeft aanvaard, moeten gemeenten alle nieuwe plannen afzonderlijk afstemmen met de provincie. Het plan 'De Verwondering' is geen nieuw plan omdat de ontwikkeling al stond opgenomen op de door de provincie aanvaarde planlijst 2016.

3.2.3 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het provinciale ruimtelijk beleid.

3.3 Beleid Hoogheemraadschap

3.3.1 Waterbeheerplan 2016-2021

Elke zes jaar leggen waterschappen het beleid en de aanpak die noodzakelijk zijn om de watertaken goed te kunnen uitvoeren, vast in een zogeheten waterbeheerplan. Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan (WBP5) Waardevol Water vastgesteld. In dit plan geeft Rijnland aan wat de ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Daarmee realiseert Rijnland de ambities dat hun gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samenwerken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

3.3.2 Keur en uitvoeringsregels 2015

Sinds 1 juli 2015 heeft Rijnland een nieuwe Keur. Bij het opstellen van deze Keur heeft Rijnland een andere aanpak gebruikt. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Dit houdt in dat er gebroken is met de gangbare manier van regulering waarbij als uitgangspunt werd gehanteerd: alle handelingen in het watersysteem zijn zonder vergunning verboden. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Indien dat het geval is, zijn er nadere regels voor die handelingen vastgesteld. Nadere regels zijn voorschriften van een algemene regel of voorwaarde waaronder een vergunningplichtig(e) werk of handeling wordt toegestaan.

Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico.

Riolering afkoppelen 

Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat ontstaan en verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt. Afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater. Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd. Ander afvalwater wordt, zo nodig na zuivering bij de bron, hergebruikt danwel, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu gebracht.

Zorgplicht en preventieve maatregelen voor Hemelwater

Voor de verwerking van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen.

3.3.3 Conclusie

Voor de verantwoording van de inpassing in het beleid van Rijnland wordt verwezen naar hoofdstuk 5. Het plan is in overeenstemming met het beleid van het hoogheemraadschap.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Nieuwkoop 2040

Op 16 juli 2009 heeft de gemeenteraad de structuurvisie Nieuwkoop 2040 vastgesteld. In de structuurvisie wordt de kern Nieuwveen aangemerkt als een woonkern type A. De A kernen zijn de grotere dorpen van de gemeente. Ze beschikken over een voorzieningenaanbod met winkels, recreatieve attracties en sportaccommodaties. Nieuwveen ligt op de overgang van het deelgebied 'het dynamische noordwesten' en het middengebied, maar wordt gerekend tot het dynamische noordwesten. In de structuurvisie is aangegeven dat dit deel van de gemeente zich gaat ontwikkelen als het gedeelte met de meeste dynamiek. De woningbouw en bedrijvigheid krijgen hier voorrang. De provinciale rode contouren van Nieuwkoop, Nieuwveen en Noorden worden "opgerekt" ter bekostiging van de natuurontwikkeling en versterking van de leefbaarheid van deze dorpen.

Naast dynamiek in het noordwesten zal er zeker ook aandacht zijn voor landschappelijke inpassing van de diverse activiteiten. Dit betreft ook de overgangen van bebouwd naar open gebied. Het landschapsontwikkelingsplan (LOP) en het Groenbeheerplan zorgen voor de uitwerking van dit beleid.

In 2016 heeft een herijking van de structuurvisie plaatsgevonden. Hierin wordt teruggeblikt naar de doelen uit de structuurvisie en welke hiervan behaald zijn. In de herijking wordt gekeken welke doelen tot 2040 gelijk blijven en welke ambities bijgesteld moeten worden. Wat betreft woningbouw wordt hierin geconcludeerd dat vastgehouden wordt aan het realiseren van de 430 woningen buiten de provinciale rode contour voor het transformeren van de Noordse Buurt, waaronder maximaal 100 in het gebied 'De Verwondering'.

Met dit bestemmingsplan wordt een verdere ontwikkeling van 'De Verwondering' mogelijk gemaakt, waarmee bijgedragen wordt aan de versterking van de leefbaarheid van Nieuwveen en aan de realisatie van het gestelde doel van de 430 woningen.

3.4.2 Woonvisie

Het voorgaande bestemmingsplan is gebaseerd op de Woonvisie uit 2011. Hierin maakt 'De Verwondering' onderdeel uit van de 430 extra woningen die in de gemeente Nieuwkoop gerealiseerd mogen worden.

Op 6 oktober 2016 is de nieuwe Woonvisie 2016 – 2025 vastgesteld door de gemeenteraad. In de woonvisie worden drie thema's benoemd.

Thema 1: Een aantrekkelijke gemeente:

Om een aantrekkelijke gemeente te blijven, is een vitale dorpenstructuur van groot belang. Een divers aanbod van voorzieningen draagt bij aan het hoogwaardige leefklimaat. De levensvatbaarheid van het voorzieningenaanbod is afhankelijk van een gemengde bevolkingssamenstelling. Daarom richt het eerste thema zich op het aantrekken van jonge gezinnen, behouden van jongeren en een gevarieerd aanbod voor elke gezinsomvang.

Thema 2: Een betaalbare en beschikbare voorraad:

Het moet voor iedereen mogelijk zijn om in Nieuwkoop te blijven wonen. Hiervoor zijn woningen nodig voor elke portemonnee.

Thema 3: Wonen met zorg en welzijn:

Nieuwkoop is een fijne gemeente om in te wonen. Ook als je ouder wordt of als er een zorgbehoefte ontstaat. De veranderingen in de zorg en de vergrijzing hebben samen een effect op de woningmarkt. Het derde thema gaat over langer thuis wonen, levensloop bestendige woningen en over beschikbare ondersteuning voor mensen die dit nodig hebben.

De Woningbehoefteraming (WBR) 2016, opgesteld door de Provincie Zuid-Holland, laat zien dat in de gemeente Nieuwkoop tot en met 2025 een behoefte is aan ongeveer 1.100 woningen. Het huidige bouwprogramma in de gemeente is ruim 800 woningen. Dit laat zien dat de vraag naar woningen (1.100) groter is dan het aanbod (800). De behoefte aan/de ruimte voor nieuwe plannen wordt zoveel mogelijk benut door samen met andere partijen de verschillende volkshuisvestelijke opgaven te realiseren. Daarbij blijft het de voorkeur om nieuwbouw te realiseren in de grotere kernen en binnen het bestaande stads- en dorpsgebied.

Naast de woningen ten behoeve van de groei van de eigen bevolking voorziet de gemeente in de (boven)regionale opgave met de bouw van 330 woningen boven de behoefteraming. De opgaven samen betekenen een bouwopgave van 1.430 (1.100 + 330) woningen tot en met 2025.

Een belangrijke opgave voor de gemeente is de sanering van het (voormalig) glastuinbouwgebied Noordse Buurt. Om deze opgave mogelijk te maken, ontwikkelt de gemeente Nieuwkoop 430 woningen boven de behoefteraming. Op dit moment is het grootste gedeelte van de Noordse Buurt gesaneerd. De 430 woningen worden vooral toegevoegd aan de grotere woonkernen Nieuwveen, Nieuwkoop, Ter Aar en Langeraar. Dit sluit aan bij het ABC-kernenbeleid. Het toevoegen van de woningen bij de grotere kernen versterkt de vitaliteit en het draagvlak voor voorzieningen. Een deel van de projecten is in volle gang. Er zijn op dit moment ongeveer 100 woningen gerealiseerd in de dorpen Nieuwveen en Ter Aar. De komende jaren start de bouw van de resterende 330 woningen. Verwacht wordt dat alle 330 resterende woningen zijn gerealiseerd voor 2025.

Met dit bestemmingsplan wordt een verdere ontwikkeling van 'De Verwondering' mogelijk gemaakt, waarmee bijgedragen wordt aan de realisering van het woonbeleid.

3.4.3 Regionaal Landschapsontwikkelingsplan Rijn- en Vechtstreek (2009)

De gemeenten Alphen aan den Rijn, Kaag en Braassem, Nieuwkoop en Rijnwoude, hebben gezamenlijk een Regionaal Landschaps Ontwikkelings Plan (LOP) opgesteld. Het LOP is een beleidskader voor het behoud van bestaande landschappelijke kwaliteiten. Samengevat komt die neer op: "wees zuinig op de karakteristieke landschappen en waarborg de kwaliteit ervan voor de toekomst". Het Landschaps Ontwikkelings Plan is een uitwerkingsplan van de gemeentelijke Structuurvisie Nieuwkoop 2040. De raad heeft het Visiedeel van het LOP vastgesteld op 25 juni 2009. Het Uitvoeringsprogramma van het LOP is op 17 december 2009 door de raad vastgesteld.

In het LOP is de kwaliteit en samenhang van het landschap in de Rijn- en Veenstreek onderzocht. Die kwaliteit en samenhang zitten vooral in de grote landschappelijke eenheden. Droogmakerijen en aaneengesloten veenweidegebied vormen met elkaar een heldere hoofdstructuur. Openheid en vergezichten maken die hoofdstructuur zichtbaar. Akkerbouw en melkveehouderij kunnen in deze grote eenheden goed uit de voeten. Versnippering is niet gewenst, stelt het LOP. Zichtlijnen moeten zoveel mogelijk intact blijven. Dit betekent dat toevoegingen aan het landschap bij voorkeur aan de randen van deze landschappelijke eenheden plaatsvinden en zoveel mogelijk worden gebundeld.

In het LOP zijn inrichtingsprincipes en bijbehorende voorbeelden opgenomen voor de gewenste beeldkwaliteit van bebouwing. Zorgvuldige aandacht voor de beeldkwaliteit is noodzakelijk om de landschappelijke kwaliteit te waarborgen. De randen van nieuwbouwwijken, bedrijventerreinen, boerderijen en kassen vallen in het open landschap van de Rijn- en Veenstreek extra op. In het verleden is vaak geen rekening gehouden met het verkavelingspatroon of met de richting van het landschap. Ook de aankleding laat te wensen over. Harde overgangen zijn het gevolg. Het LOP laat zien dat een betere landschappelijke inpassing mogelijk is. (Streekeigen) beplanting speelt daarbij vaak een rol. De inrichtingsprincipes zijn ook toepasbaar op nieuwe bebouwing. Een beter aanzien van het gebied vergroot op zijn beurt weer de aantrekkelijkheid voor inwoners en recreanten. Het LOP wil een streefbeeld en toetsingskader zijn voor het formuleren van beeldkwaliteit.

In het stedenbouwkundig ontwerp voor 'De Verwondering' is hiermee rekening gehouden door een groene overgang naar het landschap te maken en de richting van de verkaveling te laten passen bij het omliggende landschap. Door middel van de bestemming 'Tuin - Oeverzone' langs de randen van de kavels aan het water (die aldus niet worden beschouwd als "erfgebied" in de zin van het Besluit omgevingsrecht), waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan, wordt dit in dit bestemmingsplan geborgd.

Voor het plangebied zijn in het LOP geen specifieke kaders en uitgangspunten vermeld, hiervoor gelden de algemene beleidsuitgangspunten.

3.4.4 Met passie naar duurzaam groenbeheer, visie en beheerplan (maart 2009)

Het plan geeft inzicht in de huidige en de gewenste beeld- en onderhoudskwaliteit, de hierbij passende maatregelpakketten (regulier en cyclisch beheer), hoe te komen tot de gewenste onderhoudskwaliteit en de financiële onderbouwing. De groenvisie vormt de basis voor herstructurering, werkplannen en beleidskeuzen voor groen. De gemeente kan hiermee doelgericht en efficiënt beheer uitvoeren. Dit is zichtbaar aan de kwaliteit van het groen(onderhoud) en aan het benodigde budget.

Voor 'De Verwondering' is van belang dat de overgang van het buitengebied naar de bebouwde kom zacht wordt vormgegeven, waarbij landschappelijke inpassing plaatsvindt met groen dat belevingswaarde heeft en past bij het karakter van landschap en locatie. Met deze aspecten is expliciet rekening gehouden.

Ook in de uitwerking van het Noordereiland dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, wordt hier rekening mee gehouden. Door de bestemming 'Tuin - Oeverzone' langs de randen van de kavels aan het water, waarbinnen geen gebouwen zijn toegestaan, wordt dit in het bestemmingsplan geborgd; deze stroken behoren niet tot het "erfgebied" als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht.

3.4.5 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan

Op 18 februari 2010 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. In dit plan geeft de gemeente haar visie op het verkeer en vervoer in de gemeente Nieuwkoop voor de komende tien jaar met een doorkijk naar 2040.

De gemeente Nieuwkoop heeft enerzijds te maken met (economische) ontwikkelingen in de regio/Randstad en maakt anderzijds deel uit van Het Groene Hart. In de structuurvisie 2040 heeft de gemeente verwoord hoe zij de positie van de eigen gemeente ziet in die context. Een van de onderdelen die nu verder uitgewerkt is, is de visie op het verkeer en vervoer.

Het vastgestelde GVVP is de basis om vorm te geven aan de invulling van de concrete maatregelen. Deze zullen bestaan uit een aantal uitwerkingsplannen waarbij concrete (verkeers-) maatregelen worden voorgesteld ten gunste van de toekomstige bereikbaarheid en veiligheid en leefkwaliteit in de gemeente Nieuwkoop. Ook is aangegeven welke zaken hoge prioriteit hebben.

De voor dit plangebied relevante aandachtspunten voor de gewenste situatie van de verkeersstructuur uit het GVVP zijn:

  • Er is sprake van een duidelijk hiërarchische opbouw en inrichting van het wegennet;
  • Bereikbaarheid voor hulpdiensten dient gewaarborgd te worden;
  • Het aantal (verkeersonveilige) conflictpunten tussen verschillende modaliteiten wordt geminimaliseerd;
  • Toepassen van hoogwaardige en veilige routes voor langzaam verkeer, met name van en naar scholen en sportvoorzieningen,

Voor de ontwikkeling van het Noordereiland wordt een verkeersstructuur met 30 km/u wegen gerealiseerd, waarmee verkeersonveilige conflictpunten tussen verschillenden modaliteiten worden voorkomen. De aan te leggen wegen behoren tot de laagste klassen van het wegennet (erftoegangswegen).

3.4.6 Notitie gemeentelijk parkeerbeleid

De parkeernormen in het voorgaande bestemmingsplan zijn nog gebaseerd op de notitie gemeentelijk parkeerbeleid (vastgesteld 8 mei 2008).

Op 17 september 2015 is een nieuwe beleidsnotitie 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015' door de gemeenteraad vastgesteld. In de praktijk bleken de normen die gesteld zijn in 2008 niet langer een uitkomst te bieden voor het vaststellen van het vereiste aantal parkeerplaatsen. Een herziening van de parkeernormering was daarom gewenst. Het nieuwe parkeerbeleid moet bijdragen aan de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en het voorkomen van parkeeroverlast in de kernen van de gemeente Nieuwkoop. De gemeente wil dit onder meer bereiken door de parkeernormen actueel te houden en hanteerbare beleidsuitgangspunten te formuleren voor de ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente teneinde parkeerproblemen in nieuwe woonwijken te voorkomen.

In dit bestemmingsplan zal rekening worden gehouden met de nieuwe parkeernormen. De beleidsnotitie 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015' zal worden opgenomen als bijlage 1 bij de regels van het bestemmingsplan.

3.4.7 Duurzaamheid

De gemeente Nieuwkoop wil graag een duurzame gemeente zijn, waarin niet alleen aandacht is voor het 'hier' en 'nu', maar ook voor het 'daar' en 'later'. Duurzaamheid houdt in dat bij alle ontwikkelingen, beleid, plannen en activiteiten gezocht wordt naar een optimale balans tussen leefbaarheid, ecologie en economie. Duurzaamheid houdt ook solidariteit in. Solidariteit tussen huidige en toekomstige generaties. In de duurzaamheidsagenda geeft de gemeente aan welke maatregelen zij neemt op het gebied van duurzaamheid en welke resultaten zij behaalt.

Op 11 juni 2015 heeft de gemeenteraad de duurzaamheidsagenda 2015-2018 vastgesteld. In de Duurzaamheidsagenda wordt op een gestructureerde manier inzicht wordt gegeven in de stand van zaken op het gebied van duurzaamheid. Daarnaast is deze agenda bedoeld om bewustwording te creëren, partijen bij elkaar te brengen en elkaar te inspireren.

De duurzaamheidsagenda van 2015-2018 is opgesteld aan de hand van 4 thema's die vanuit drie pijlers uit het Energieakkoord zijn afgeleid:

  • Energie besparing en opwekking;
  • Mobiliteit;
  • Afval;
  • Inkoop.

'De Verwondering' komt in de duurzaamheidsagenda niet expliciet voor, maar duurzaam onderhoud en beheer behoort wel tot één van de doelen. Bij alle nieuwbouwprojecten wordt ingezet op zo veel mogelijk duurzame ontwikkeling en duurzaam bouwen en landschappelijke inpassing van de randen van de bebouwing. In het ontwerp voor 'De Verwondering' is hier expliciet rekening mee gehouden. De dragers in de duurzaamheidsvisie die voor het plan is opgesteld zijn groen en water. Ook in het ontwerp voor het Noordereiland, dat met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt is hier rekening mee gehouden.

Discussienota Gasloze nieuwbouw Nieuwkoop 2018

Gezien de duurzaamheidsdoelstelling ligt de aanleg van een gasleiding in de wijk niet in de rede. Het Noordereiland ligt verder van Schoterhoek II af. Dat maakt het minder aantrekkelijk om gebruik te maken van de "warmterivier". Individuele warmteopwekking ligt meer voor de hand. Dit zal moeten worden gecommuniceerd met de potentiele kopers. Daarbij worden de kopers uiteraard ook attent gemaakt op de mogelijkheid tot gratis advies (met betrekking tot duurzame bouwkeuzes) en korting op de leges. De keuze voor een bepaald collectief of individueel systeem voor duurzame energievoorziening heeft geen consequenties voor de inhoud van het voorliggende bestemmingsplan als zodanig.

3.4.8 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk ruimtelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Omgevingsonderzoeken

In dit hoofdstuk worden de onderzoeken voor het bestemmingsplan behandeld. Voor zover de resultaten nog van toepassing zijn, worden de onderzoeken uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Indien noodzakelijk is er een nieuw onderzoek uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn beschreven in de Brief Beoordeling milieuaspecten van de Omgevingsdienst West-Holland (d.d. 12 december 2017, zaaknummer 2017068871). Deze brief is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

4.1 Luchthavenindelingbesluit (LIB)

4.1.1 Wet- en regelgeving

Het rijksbeleid voor Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de wet Luchtvaart (‘Wijzigingswet’, 2003). De ruimtelijke consequenties van de Wijzigingswet staan in het Luchthavenindelingbesluit (LIB). Het LIB is een algemene maatregel van bestuur waarin beperkingen worden gesteld aan het gebruik van gronden en de bouwmogelijkheden vanwege externe veiligheid en geluid in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol. In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden verschillende deelgebieden onderscheiden met specifieke regels. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij de vaststelling van bestemmingsplannen.

Met de herziening van het LIB die per 1 januari 2018 in werking is getreden wordt een extra deelgebied toegevoegd: een afwegingsgebied voor externe veiligheid en geluid (nu bekend als het ‘20Ke-gebied’). In dit gebied mogen gemeenten op basis van een eigen integrale afweging omgevingsvergunningen afgeven voor de bouw van nieuwe woningen binnen het bestaand stedelijk gebied. Buiten het bestaand stedelijk gebied blijven nieuwe woningbouwlocaties niet toegestaan. Verder worden met de herziening de ruimtelijke regels over externe veiligheid en geluidhinder verduidelijkt en vereenvoudigd. Met deze wijzigingen krijgen gemeenten meer eigen afwegingsruimte en verantwoordelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen.

4.1.2 Situatie plangebied

Contour Schiphol

Het plangebied valt binnen het nieuw toegevoegde deelgebied. Binnen het ruimtelijk afwegingsgebied (voorheen 20Ke) zijn de regels erop gericht om enerzijds voldoende ruimte te laten voor de ontwikkeling van de mainport Schiphol en anderzijds om (woningbouw)ontwikkelingen mogelijk te maken. Beide zijn van nationaal belang. Tegelijkertijd zal terughoudendheid betracht moeten worden wat betreft woningbouwmogelijkheden op plaatsen in de omgeving van de luchthaven waar dat uit een oogpunt van geluid en groepsrisico minder wenselijk is. Tevens wordt hiermee woningbouw vermeden op plaatsen waar dat ook omwille van het gebruik van Schiphol niet wenselijk is. Dit sluit aan bij het gehanteerde principe om zo min mogelijk over dichtbebouwd stedelijk gebied te vliegen. Vanwege bovenstaande dient het gebied buiten het bestaand stedelijk gebied (BSG) gevrijwaard te blijven van nieuwe woningbouwlocaties. Dit rijkskader laat de provincie afwegingsruimte om beperkt woningen in het buitengebied toe te staan binnen door de provincie gestelde voorwaarden. Gemeenten zijn binnen BSG verantwoordelijk voor een zorgvuldige ruimtelijke ordening zoals vastgesteld in de Wet ruimtelijke ordening. Daarbij houden de gemeenten in de planvorming rekening met de geluidproductie en het risico die de vliegroutes van en naar Schiphol met zich meebrengen, nu, en voor zover te voorzien, in de toekomst. Gemeenten dragen er ook zorg voor dat (toekomstige) bewoners in een zo vroeg mogelijk stadium deugdelijk en objectief worden geïnformeerd over geluidbelasting en mogelijke hinder door vliegtuiggeluid vanwege de nabijheid van de luchthaven Schiphol.

In het voorgaande bestemmingsplan wordt aangegeven dat het Rijk en de provincie Zuid-Holland voor 'De Verwondering', gelegen binnen de 20 Ke contour van Schiphol, een uitzondering hebben gemaakt en hebben toegestaan dat buiten de oude provinciale rode contour 100 woningen worden gebouwd (zie ook de voorgaande pargraaf 2.1). Het voorliggende bestemmingsplan betreft een reeds sinds 2013 geprojecteerde woningbouwlocatie; voorliggend bestemmingsplan voorziet met name in een aanpassing van de verkaveling en een vermindering van het aantal woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0005.png"

20 Ke contour van Schiphol (paarse lijn), met rood omlijnd de locatie "Noordereiland"

Risicoprofiel

In de nabijheid van Schiphol bestaat een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. Gemeenten binnen het totale afwegingsgebied dienen daarom voorbereid te zijn op de risico’s van een vliegtuigongeval.

De Veiligheidsregio Hollands Midden is wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. Een van de risico’s waar de veiligheidsregio (en dus ook de gemeente Nieuwkoop) mee geconfronteerd kan worden is een vliegtuigongeval op haar grondgebied. De veiligheidsregio geeft aan dat er voor vliegtuigongevallen afspraken zijn gemaakt met de veiligheidsregio Kennemerland waar Schiphol onder valt. De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de Veiligheidsregio Hollands Midden samen met de veiligheidsregio Kennemerland worden opgevangen.

Rekenschap conform "Beleidsregel wonen en vliegen 20 Ke-contour Schiphol"

Voor zover een bestemmingsplan nieuwe woningen toestaat op de gronden binnen de 20 Ke-contour, wordt in de toelichting van dat plan rekenschap gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die ertoe hebben geleid om op de desbetreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen.

De 20 Ke-contour is een planologische contour bedoeld om terughoudendheid te betrachten voor wat betreft woningbouw buiten bestaand stads- en dorpsgebied. Deze terughoudendheid is enerzijds ingegeven vanuit het oogpunt van de bescherming van mensen tegen vliegtuiggeluid, en anderzijds om voldoende ruimte te laten voor (toekomstige) ontwikkelingen (zoals veranderingen in aanvliegroutes) van de mainport Schiphol. Het Noordereiland valt binnen de 20 Ke-contour van Schiphol.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben bij besluit van 23 mei 2017 de "Beleidsregel wonen en vliegen 20 Ke-contour Schiphol" vastgesteld. Deze "Beleidsregel wonen en vliegen 20 Ke-contour Schiphol" is een verdere uitwerking van de regel (zoals die in de Verordening is opgenomen) om rekenschap te geven van bouwen in geluidbelast gebied. Tegelijkertijd vragen Gedeputeerde Staten aan de gemeenten binnen de 20 Ke-contour dat zij ook een eigen beleidsregel vaststellen waarin voornoemde afspraken zijn uitgewerkt.

De gemeenteraad heeft deze beleidsregel op 11 mei 2017 vastgesteld. De beleidsregel is met ingang van 26 mei 2017 in werking getreden. Met deze beleidsregel heeft de gemeente aangegeven op welke wijze rekenschap wordt gegeven in bestemmingsplannen over (bijvoorbeeld) de geluidsbelasting van nieuwe woningen en indien nodig maatregelen om het geluidsniveau binnen de woning te verminderen. Er wordt extra aandacht besteed aan de afweging van de belangen die met de beoogde woningbouw binnen 20 Ke contour zijn gemoeid. Er wordt een afweging gemaakt waarbij de lokale leefbaarheid en vitaliteit een belangrijke rol spelen.

Er kan op de volgende wijze rekenschap van de keuze van de onderhavige locatie voor de realisering van woningen worden gegeven:

Allereerst kan worden benadrukt dat het voorliggende bestemmingsplan betrekking heeft op de reeds in 2013 geprojecteerde woningbouwlocatie 'De Verwondering'. Het bestemmingsplan voorziet voor wat betreft het Noordereiland met name in wijziging van de verkaveling.

Er kan erop worden gewezen dat in Structuurvisie Nieuwkoop 2040 is vermeld dat een gericht woningbouwbeleid een evenwichtige bevolkingsopbouw moet stimuleren om aldus het draagvlak voor voorzieningen te ondersteunen. Dit betreft met name de grotere kernen, zoals Nieuwveen.

De ontwikkeling van het project 'De Verwondering' hangt samen met de sanering en transformatie van het glastuinbouwgebied de Noordse Buurt. In samenspraak met de provincie Zuid-Holland en het Rijk zijn in 2009 ten behoeve van de financiële uitvoerbaarheid afspraken gemaakt over de realisatie van 430 woningen binnen de gemeentegrenzen van Nieuwkoop. Hiervoor zijn in de Structuurvisie Nieuwkoop 2040 zogenaamde sleutelprojecten vastgelegd, waarin de realisatie van de woningen is opgenomen. Het Rijk heeft voor het sleutelproject 'De Verwondering' toegestaan dat maximaal 100 woningen worden gerealiseerd. In het bestuurlijk overleg tussen gemeente, provincie en rijk van 15 juni 2009 is afgesproken dat het aantal te bouwen woningen op deze locatie buiten de provinciale rode contour binnen de 20 Ke-zone maximaal 100 mag bedragen. Er kan op worden gewezen dat het in 2013 vastgestelde (voorgaande) bestemmingsplan 'De Verwondering' reeds voorzag in de realisering van woningen op het Noordereiland.

De gemeente zal in de informatievoorziening bij de nieuw bewoners benadrukken dat het plangebied zich geheel bevindt op een door vliegtuiggeluid belaste locatie. In dat verband kan er volledigheidshalve nog op worden gewezen dat de Omgevingsdienst West-Holland (ODHW) de cumulatieve geluidbelasting van de beoogde woningen in het naastgelegen woongebied 'Teylerspark' heeft berekend. Er is daar sprake van een cumulatief geluidniveau (Lden) van 59 dB. Dit is vergelijkbaar met het cumulatief geluidbelasting op de locatie Noordereiland. Dit heeft tot gevolg dat extra aandacht besteed zal moeten worden aan de geluidwering van de gevels.

4.1.3 Conclusie

Het Luchthavenindelingbesluit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Bodem

4.2.1 Wet- en regelgeving

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

4.2.2 Situatie plangebied

De bodem in dit plangebied is in 2012 onderzocht als onderdeel van het bestemmingsplan De Verwondering. In dit onderzoek zijn slechts lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater aangetroffen.

Voor een bodemonderzoek geldt een geldigheidstermijn van 5 jaar. Het bovengenoemde bodemonderzoek is opgesteld in mei 2012 en is daarmee verouderd. Een actualiserend onderzoek was daarom nodig. Gezien de gunstige uitslag van het bodemonderzoek in 2012 kon het actualiserend onderzoek beperkt blijven tot het meest beïnvloedbare deel van de bodem, te weten de bovengrond. Hierbij is gebruik gemaakt van het rapport "Milieukundig bodemonderzoek het Noordereiland, Nieuwbouwlocatie "De Verwondering" te Nieuwveen" van Adviesbureau Adverbo met rapportnr. 17.10.1035.0837 d.d. 22 augustus 2017. Deze is als bijlage 3 toegevoegd bij deze toelichting. Uit de chemische analyses blijkt dat de bovengrond niet of licht is verontreinigd. Het onderzoeksbureau heeft geen bodemvreemde en/of asbestverdachte bestanddelen waargenomen op het maaiveld en in de bodemmonsters. De resultaten geven geen aanleiding voor vervolgstappen.

4.2.3 Conclusie

Op grond van de combinatie van de onderzoeksresultaten uit 2012 en de hierboven beoordeelde recente resultaten zijn er milieuhygiënisch geen belemmeringen om het plan te realiseren.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1 Wet- en regelgeving

Per 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. De Wamz is een wijzigingswet die geleid heeft tot wijzigingen in onder andere de Monumentenwet 1988 (Mw'88). In de Mw'88 is opgenomen dat de gemeenteraad bij vaststelling van een bestemmingsplan of projectbesluit rekening dient te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Om dit goed te kunnen doen, moet men over kennis over het bodemarchief beschikken.

Sinds 1 januari 2012 is het verplicht in ruimtelijke plannen rekening te houden met cultuurhistorische waarden (art. 3.1.6, van het Besluit ruimtelijke ordening). Hiertoe moet in de toelichting van het plan een afweging worden opgenomen over het voorkomen van cultuurhistorische waarden in het gebied en de wijze waarop deze cultuurhistorische waarden - indien noodzakelijk - in het plan worden geborgd.

4.3.2 Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. Voor de betreffende rapporten wordt verwezen naar het voorgaande bestemmingsplan. Dit onderzoek is ook van toepassing op het plangebied van dit bestemmingsplan. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er geen archeologische resten in de bodem te verwachten zijn. Er is daarom in het voorliggende bestemmingsplan - evenals in het voorgaande bestemmingsplan ‘De Verwondering’ (2013) - geen dubbelbestemming voor archeologische waarden opgenomen.

Ter volledigheid is het plan ook getoetst aan de Cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland, zie bijlage 2 Brief Beoordeling milieuaspecten van de Omgevingsdienst West-Holland onder het kopje Archeologie. De Atlas van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is door Provinciale Staten op 14 december 2016 vastgesteld en van kracht sinds 12 januari 2017. Deze actualisatie betreft in hoofdzaak het onderwerp archeologie, te weten de bekende archeologische terreinen en de verwachte archeologische waarden

De gemeente Nieuwkoop heeft een eigen archeologisch beleid, wat is vastgelegd in de Erfgoedverordening Nieuwkoop 2016. In dit gemeentelijk beleid wordt aangehaakt bij de voormalige provinciale archeologische waardenkaart die tot 12 januari 2017 een andere indeling kende (zeer grote kans, redelijk tot grote kans, kleine kans en geen enkele kans). Inmiddels kent de Cultuurhistorische atlas van de provincie slechts de waardering hoog. Na raadpleging van de Cultuurhistorische Atlas blijkt dat het plangebied is gelegen buiten gronden met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologie. Daarnaast blijkt uit eerdere onderzoeken dat er geen archeologische resten zijn de te verwachten.

4.3.3 Conclusie

Het aspect archeologie/cultuurhistorie levert geen belemmering op voor het bestemmingsplan.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wet- en regelgeving

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet luchtkwaliteit (Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar en daggemiddelde) van belang. In Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen indien:

  • Wordt voldaan aan de in Bijlage 2 Wm opgenomen grenswaarden;
  • Een besluit (per saldo) niet leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • Aannemelijk is gemaakt dat een besluit 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de concentratie van een stof.

Niet in betekenende mate

Projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden zoals opgenomen in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer. In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd dat een ruimtelijke ontwikkeling die minder dan 1% van de grenswaarde bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) 'niet in betekenende mate' is. Dit komt overeen met een maximale toename van 0,4 µg/m3 voor de concentraties fijn stof en stikstofdioxide. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn concrete situaties opgenomen die 'niet in betekenende mate' zijn. Blijft de ontwikkeling binnen de in deze regeling opgenomen grenzen, dan is het project per definitie 'niet in betekenende mate' en hoeft er geen toetsing aan de grenswaarden plaats te vinden. Voor de ontwikkeling van woningen, geldt dat bij de realisatie van minder dan 500 woningen (met één ontsluitingsweg) het project per definitie niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.4.2 Situatie plangebied

In het bestemmingsplan 'De Verwondering' wordt aangegeven dat het project geen relevante gevolgen zal hebben voor de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de omgeving, aangezien slechts maximaal 166 woningen worden gerealiseerd. Dit aantal ligt ruim onder het in het besluit NIBM genoemde aantal van 500 woningen. De 34 woningen die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, maken daar onderdeel van uit. Er is met betrekking tot de luchtkwaliteit sprake van een goed woon- en leefklimaat. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De situatie met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling is voor de luchtkwaliteit ongewijzigd. De luchtkwaliteit is volgens de NSL-monitoringstool ten opzichte van 2013 nog iets verbeterd. Er is daarom geen aanleiding om opnieuw onderzoek te doen naar de luchtkwaliteit.

4.4.3 Conclusie

Er zijn er geen belemmeringen voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.

4.5 Geluid

4.5.1 Wet- en regelgeving

Met betrekking tot geluid is de Wet geluidhinder het belangrijkste toetsingskader. In de Wet geluidhinder zijn voorkeurswaarden en grenswaarden opgenomen waaraan geluidgevoelige bestemmingen mogen worden blootgesteld. Onder geluidgevoelige bestemmingen worden onder meer verstaan: woningen, maar ook scholen en ziekenhuizen.

4.5.2 Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Voor het betreffende rapport wordt verwezen naar het voorgaande bestemmingsplan. Het doel van het onderzoek is inzichtelijk te maken waar geluidgevoelige bestemmingen vanuit akoestisch oogpunt gerealiseerd kunnen worden zonder ontheffing, met ontheffing en waar niet gebouwd mag worden. Dit wordt middels geluidcontouren ten gevolge van wegverkeerslawaai vanwege de Schilkerweg en Oude Nieuweveenseweg inzichtelijk gemaakt. Tevens ligt het plangebied binnen de invloedsfeer van de Hazeweg/Roggeveldweg.

Het plangebied Noordereiland ligt binnen de geluidszone als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh) van de Oude Nieuwveenseweg. De overige wegen binnen en rond het plangebied Noordereiland hebben geen geluidszone als bedoeld in de Wgh, omdat de maximumsnelheid op die wegen maximaal 30 km/uur bedraagt. Toetsing aan de Wgh is voor deze wegen niet nodig. Wel moet de geluidbelasting beoordeeld worden in het kader van de goede ruimtelijke ordening. De berekeningsresultaten worden getoetst aan de volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geldende grenswaarden. Wanneer de in de Wgh gestelde grenswaarden worden overschreden, dient beoordeeld te worden of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn en/of er een hogere grenswaarde moet worden vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders.

Het akoestisch onderzoek uit het voorgaande plan is opgesteld in 2012 en heeft als toekomstig peiljaar 2022. Voor de beoordeling van een nieuw plan is de toekomstige situatie na 10 jaar van belang. Omdat het plan nu pas in procedure gaat dient het akoestisch rapport op dit punt formeel geactualiseerd te worden, zie bijlage 2 Brief Beoordeling milieuaspecten van de Omgevingsdienst West-Holland onder het kopje Geluid. Hierbij is gebruik gemaakt van de Regionale verkeers- en milieukaart Holland Rijnland (RVMK). Dit is een gekoppeld verkeers- en milieumodel. Met het verkeersmodel worden verkeersstromen gesimuleerd van verschillende toekomstscenario’s. Op basis van deze simulaties kan in het milieumodel de geluidsbelasting berekend worden van wegverkeer en kunnen de milieukundige effecten bepaald worden van verkeers- en RO-beleid. De meest recente versie van het verkeersmodel van de RVMK Holland Rijnland is versie 3.1 van januari 2017.

Bij de beoordeling van de uitgangspunten voor de berekeningen blijkt dat er in het rapport van het akoestisch onderzoek en in de RVMK verschillende verkeersintensiteiten zijn gehanteerd.

  • Rapport (peiljaar 2022): Verkeersintensiteit Oude Nieuwveenseweg 5873 mvt/etm
  • RVMK v3.1 (peiljaar 2030): Verkeersintensiteit Oude Nieuwveenseweg ca. 6000 mvt/etm

De verkeersintensiteiten uit het rapport (peiljaar 2022) en uit de RVMK v3.1 (peiljaar 2030) zijn niet gelijk, maar gelet op het verschil in peiljaren ontlopen deze elkaar niet veel. Het verschil in verkeersintensiteiten maakt het niet nodig om een nieuw akoestisch onderzoek uit te voeren. Uit de rekenresultaten blijkt dat de berekende geluidbelasting vanwege het verkeer op de Oude Nieuwveenseweg ten hoogste 36 dB, incl. aftrek ex art. 110g Wgh bedraagt. Het verschil in gehanteerde verkeersintensiteiten is niet zodanig groot dat dit ter plaatse van het plangebied zal leiden tot een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB als bedoeld in de Wgh.

4.5.3 Conclusie

Op basis van het in 2012 uitgevoerde akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat de voorkeurswaarde van 48 dB als gevolg van zowel het verkeer op de Oude Nieuwveenseweg als op de wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur niet wordt overschreden. Ter plaatse van het plangebied Noordereiland is voor het aspect wegverkeerslawaai sprake van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect geluid (wegverkeerslawaai) levert geen planologische belemmeringen op.

4.6 Geur

4.6.1 Wet- en regelgeving

Het aspect geurhinder is onder te verdelen in agrarische geurhinder en industriele geurhinder.

In de Wet geurhinder en veehouderij en in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn eisen opgenomen om gevoelige functies te beschermen tegen overmatige geurhinder van agrarische activiteiten. De Wet geurhinder en veehouderij biedt gemeenten ook de mogelijkheid om afwijkende normen voor haar grondgebied vast te stellen. Van deze mogelijkheid heeft de gemeente Nieuwkoop gebruikt gemaakt. De keuze en motivatie voor de afwijkende normering is beschreven in de Geurgebiedsvisie Nieuwkoop. Op 12 december 2013 zijn de normen door de gemeenteraad vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij Nieuwkoop 2013.

Het aspect industriele geurhinder heeft betrekking op geurhinder van niet-agrarische bedrijven. De eisen met betrekking tot dit type geurhinder is onder meer geregeld in het Activiteitenbesluit dan wel in een milieuvergunning.

4.6.2 Situatie plangebied

Agrarische geurhinder

Op circa 480 meter van het plangebied is een agrarisch bedrijf aanwezig, Ancora Imparo BV (Schilkerweg 23). Dit bedrijf heeft geen geurcontour. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied geen agrarische bedrijven met een geurcontour bekend, die relevant zijn voor de planologische ontwikkeling.

Industriële geurhinder

In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen niet-agrarische bedrijven met een geurcontour bekend, die relevant zijn voor de planologische ontwikkeling.

4.6.3 Conclusie

Het aspect geur leidt niet tot een belemmering voor het plan.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

4.7.1 Wet- en regelgeving

Bij het mogelijk maken van nieuwe functies (en bij de uitbreiding van bestaande functies) is met het oog op eventuele milieuhinder afstemming tussen nieuwe en bestaande functies van belang. Bestaande hindergevoelige en hinderveroorzakende functies mogen niet worden beperkt als gevolg van een nieuwe functie. Om milieuhinder te voorkomen zijn voor de meeste functies hinderzones vastgesteld. Een algemeen gehanteerde leidraad ter bepaling van de onderling afstand tussen functies is de VNG-publicatie 'bedrijven en milieuzonering' (2009). De afstanden die hierin zijn opgenomen zijn gebaseerd op de hinderaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

4.7.2 Situatie plangebied

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' heeft de Omgevingsdienst West-Holland in opdracht van de gemeente in 2010 het milieuaspect bedrijven en milieuzonering onderzocht. Het ontwerp voor 'De Verwondering' is zodanig aangepast dat er geen woningen binnen de hindercontouren van de verschillende inrichtingen zijn gelegen.

Voor het bestemmingsplan voor het Noordereiland heeft de Omgevingsdienst West-Holland de recente stand van zaken voor het milieuaspect bedrijven en milieuzonering bekeken, zie bijlage 2 Brief Beoordeling milieuaspecten van de Omgevingsdienst West-Holland onder het kopje Milieuzonering. Het plangebied wordt aangemerkt als een rustige woonwijk. De meest nabijgelegen bedrijvigheid is het golfterrein van Golf & Countryclub Liemeer, Golfpad 1 te Nieuwveen. Het betreft hier een activiteit milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter voor het aspect geluid. De meest nabijgelegen woningen komen op ruim 10 meter van de grens van het golfterrein te liggen. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstand van de VNG-publicatie. Het bedrijf Ancora Imparo BV (Schilkerweg 23, agrarisch bedrijf milieucategorie 2) is gelegen op 480 meter van het plangebied en vormt geen planologische belemmering. Andere bedrijvigheid in de omgeving die een belemmering kan vormen voor het plan, is niet aanwezig.

4.7.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.8 Externe veiligheid

4.8.1 Wet- en regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in de circulaire 'Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen' (cRvgs).

4.8.2 Situatie plangebied

Uit de risicokaart van de provincie Zuid-Holland blijkt dat in de omgeving van het plangebied een hoge druk aardgasleiding, eigendom van de N.V. Nederlandse Gasunie, is gelegen. De betreffende leiding heeft een invloedsgebied van 140 meter. Binnen deze zone van 140 meter mogen geen kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Daarnaast kan over de Schilkerweg (N462) vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen andere transportassen voor gevaarlijke stoffen, noch planologisch andere relevante leidingen. Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.bpNWVverwNoeiland-on01_0006.jpg"

Uitsnede risicokaart (bestemmingsplangebied rood omkaderd) bron: www.risicokaart.nl

Binnen het invloedsgebied van de hoge druk aardgasleiding worden geen kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

Voor het vervoer gevaarlijke stoffen over de weg geldt dat de Schilkerweg niet is opgenomen op de risicokaart. Dit betekent dat het aantal transporten met gevaarlijke stoffen over deze weg beperkt is en voornamelijk bestaat uit lokaal bestemmingsverkeer.

Om een schatting te maken van de hoogte van de risico's is gebruik gemaakt van de vuistregels van de Handleiding Risicoanalyse transport (HART).

Plaatsgebonden risico

Volgens de vuistregels van HART hebben de betrokken wegen geen plaatsgebonden risicocontour PR=10-6.

Groepsrisico

Het groepsrisico ligt op basis van de vuistregels van HART lager dan 0,01 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Op grond van artikel 8, 2e lid van het Bevt is een (uitgebreide) groepsrisicoverantwoording niet nodig.

Toetsing gemeentelijk beleid

In paragraaf 4.2.1 van de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid zijn de volgende voor dit plan relevante uitgangspunten opgenomen:

  • 1. Geen nieuwe risicobronnen in woongebieden;
  • 2. Het groepsrisico is gemaximaliseerd op de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico;
  • 3. Woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen worden in woongebieden geplaatst en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Het plan voor het Noordereiland voldoet aan deze uitgangspunten. Er worden geen nieuwe risicobronnen mogelijk gemaakt, het groepsrisico van de relevante risicobronnen is (veel) lager dan de oriëntatiewaarde en er worden binnen het invloedsgebied van risicovolle activiteiten geen bestemmingen mogelijk gemaakt die specifiek bestemd zijn voor verminderd zelfredzame personen.

Toetsing provinciaal beleid

Volgens het provinciaal beleid moet in principe voldaan worden aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde is alleen mogelijk indien het aannemelijk is dat door het treffen van maatregelen het groepsrisico op termijn teruggebracht wordt tot onder de oriëntatiewaarde.

De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Gelet op de omgeving is een overschrijding voor de toekomst niet te verwachten. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid.

4.8.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.9 Flora en fauna

4.9.1 Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet Natuurbescherming (WNB) van kracht. De Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet worden in deze wet geïntegreerd. In de WNB is zowel de soortbescherming van wilde flora en fauna geregeld als de gebiedsbescherming die veelal voortkomt uit bepalingen van de Europese Habitatrichtlijn (HRL) en Vogelrichtlijn (VRL). De provincies zijn, op enkele uitzonderingen na, het bevoegd gezag van de wet. De provincies organiseren de ontheffingsverlening en handhaving.

Ruimtelijke ontwikkeling en (her)inrichting zoals het bouwen van woningen of het dempen van wateren kan beschadiging of vernieling tot gevolg hebben van de voortplantings- en rustplaatsen van de in het gebied voorkomende (beschermde) soorten. Dit hangt af van de fysieke uitvoering daarvan en de periode waarin het project plaatsvindt. In bepaalde gevallen moet dan ontheffing voor de WNB verkregen worden. De vraag of de ontheffing kan worden verleend zal worden beoordeeld door het bevoegde gezag (veelal de provincie waarin het plangebied is gelegen).

De WNB regelt ook de gebiedsbescherming van Natura 2000 gebieden en gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland. De provincies kunnen ook andere gebieden aanwijzen vanwege landschappelijke en/of natuurlijke waarden.

Een belangrijke bepaling van de WNB is de zorgplicht die stelt dat “een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.”

4.9.2 Situatie plangebied

Er is een nieuw onderzoek uitgevoerd voor de nieuwe Wet Natuurbescherming, deze zijn beschreven onder het kopje Ecologie in de Brief Beoordeling milieuaspecten van de Omgevingsdienst West-Holland. Deze brief is opgenomen als bijlage 2 bij de toelichting van dit bestemmingsplan.

Resultaten Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden

Op ongeveer 5,1 km afstand van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Dit Natura 2000-gebied is een stikstofgevoelig gebied, wat inhoudt dat verwarming van de nieuwe woningen mogelijk kan leiden tot significantie negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied. Verwarming van de woningen, veroorzaakt gezamenlijk met verkeersbewegingen van/naar deze woningen verbrandingsgasemissies, die stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden kunnen veroorzaken. Met behulp van het programma AERIUS-calculator is een indicatieve stikstofberekening uitgevoerd (zie bijlage 4, Aerius berekening Noordereiland). Uit de indicatieve stikstofberekening volgt dat er geen Natura 2000-gebieden in de omgeving aanwezig zijn waar de drempelwaarde voor stikstof (0,05 mol/hectare/jaar) wordt overschreden. Het aspect stikstofdepositie levert geen belemmering op.

Resultaten Gebiedsbescherming - overige beschermde gebieden

Er liggen geen NNN-gebieden of strategische reserveringen natuur in het plangebied. Tevens ligt het plangebied niet in een provinciaal belangrijk weidevogelgebied. Verdere toetsing aan het provinciale natuurbeleid is niet noodzakelijk.

Resultaten Soortenbescherming

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' is een Natuurtoets uitgevoerd. Voor het betreffende rapport wordt verwezen naar het voorgaande bestemmingsplan. Naar aanleiding van de resultaten van deze natuurtoets is in 2013 een ontheffing ex artikel 75 Flora- en faunawet aangevraagd voor de rugstreeppad. Vanwege het gegeven dat de natuurtoets uit 2012 verouderd is (de houdbaarheid van een ecologische quickscan is gesteld op 3 jaar), is door het adviesbureau Van der Goes en Groot in augustus 2017 een nieuwe ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 5, Ecologische quickscan 2017).

Uit deze onderzoeken blijkt dat:

  • Het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieen, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en vogels;
  • Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieen en grondgebonden zoogdieren alleen 'vrijgestelde' soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte 'vrijgestelde' soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig;
  • In het plangebied broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten kunnen voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli;
  • Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied geen negatief effect wordt verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

Het plangebied is niet geschikt voor de rugstreeppad, ondanks dat de soort in het verleden in het gehele gebied 'De Verwondering' werd aangetroffen. In het plangebied Noordereiland ligt geen geisoleerd, ondiep water dat door de dieren kan worden gebruikt voor voortplanting. Tevens zijn de oevers te dicht begroeid om te worden gebruikt door de soort. In het plangebied is tevens geen geschikt zanderig landbiotoop aanwezig dat buiten de voortplantingsperiode kan worden benut door deze soort. Echter, als in het plangebied graafwerkzaamheden plaatsvinden of zand wordt opgebracht, is het risico aanwezig dat de Rugstreeppadden het gebied intrekken. Daarom moeten tijdens de realisatiefase, ook hiervoor, zorgplichtmaatregelen worden getroffen.

Zorgplicht maatregelen

Voor alle aanwezige soorten geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat bij menselijk handelen voldoende zorg in acht wordt genomen voor beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Ook mag men het welzijn van dieren niet onnodig aantasten en dieren onnodig laten lijden. Om invulling te geven aan de zorgplicht moeten de maatregelen, zoals gesteld in paragraaf 6.3 van de ecologische quickscan worden uitgevoerd. Daarnaast moeten, tijdens de realisatiefase, de volgende maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat het plangebied wordt gekoloniseerd door de rugstreeppad:

  • (Grond)werkzaamheden worden zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie te voorkomen;
  • Er wordt, met name in de voortplantingsperiode (mei-juli) voorkomen dat ondiepe vegetatieloze plassen (voortplantingsplaats, zoals ondiepe plassen, kuilen en bandensporen met water) kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken;
  • Opslag van open zand (landbiotoop in zomer en winter, alsmede winterverblijfplaats) wordt afgedekt met wegendoek of plastic.

4.9.3 Conclusie

Het aspect gebiedsbescherming levert geen planologische belemmeringen. Voor het aspect soortenbescherming geldt dat wanneer de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels worden uitgevoerd de WNB niet wordt overtreden. Om te voorkomen dat de rugstreeppad, gedurende de realisatiefase, het plangebied koloniseert moeten zorgplichtmaatregelen worden getroffen om de kans op kolonisatie te voorkomen.

4.10 Verkeer en parkeren

4.10.1 Situatie plangebied

Verkeersgeneratie

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' is een rapportage van de verkeersgeneratie gemaakt. Voor het betreffende rapport wordt verwezen naar het voorgaande bestemmingsplan. In de berekening van de verkeersgeneratie is er rekening gehouden met de ontwikkeling van de 166 woningen, maar wordt ook gerekend met de opgenomen wijzigingsbevoegdheid waarmee ook de realisering van maatschappelijke voorzieningen op het Zuidereiland mogelijk is.

Het effect van de verkeersgeneratie van 'De Verwondering' op de direct omliggende wegen is verkeerskundig acceptabel. Dat geldt dan ook voor de woningen die met het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

Parkeren

In de Notitie Parkeerbeleid 2015 zijn de meest recente parkeernormen opgenomen. In het stedenbouwkundig plan voor het Noordereiland (zie bijlage 1 bij de toelichting) is conform deze normen gerekend met 2,5 parkeerplaats per woning voor vrijstaande koopwoningen. Uitzondering hiervan zijn de kavels 31 t/m 35, deze zijn nu al in de verkoop en vallen onder de normen van het voorgaande bestemmingsplan. Uitgangspunt bij de ontwikkeling van 'De Verwondering' is de realisatie van parkeren op eigen erf voor vrijstaande woningen op het Noordereiland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het theoretisch aantal parkeerplaatsen en de werkelijke situatie. Hiervoor is in de parkeernotitie een berekeningsaantal van 1,8 benoemd voor een garage met dubbele oprit (min 4,5 m. breed). Bij de uitwerking van de plannen is dit meegenomen. Hiermee voldoen de woningen aan de parkeernormen uit de nieuwe notitie.

4.10.2 Conclusie

Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.11 Milieueffectrapportage

4.11.1 Wet- en regelgeving

Per 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Een belangrijk nieuw element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevals­definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Vroeger kon worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was. Onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet op basis van dezelfde criteria als de m.e.r.-beoordeling; dat is de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage inwerking getreden. Deze wijziging heeft onder meer tot gevolg dat het bevoegd gezag ook bij een vormvrije m.e.r.-beoordeling hierover een expliciet besluit moet nemen: het m.e.r.-beoordelingsbesluit.

4.11.2 Situatie plangebied

Het bestemmingsplan 'De Verwondering - Noordereiland' voorziet in de realisatie van 34 nieuwe woningen. Een dergelijke ontwikkeling wordt genoemd in de D-lijst 11.2 ('De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'). Nu wordt hier een minimum aantal van 2000 woningen genoemd. Een plan met maximaal 34 woningen moet echter ook op nadelige milieueffecten beoordeeld worden. Dit houdt in dat er een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden. De vormvrije m.e.r.-beoordeling moet zijn opgesteld op basis van de criteria die zijn te vinden in bijlage III van de Europese Richtlijn 2011/92/EU.

Voor het bestemmingsplan 'De Verwondering' is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Voor het betreffende rapport wordt verwezen naar het voorgaande bestemmingsplan. Deze beoordeling is ook van toepassing op het plangebied van dit bestemmingsplan. De toetsing aan de criteria van Bijlage III van de Europese m.e.r. richtlijn leidde tot de conclusie dat voor de meeste thema's belangrijke nadelige milieugevolgen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zijn uit te sluiten.

4.11.3 Conclusie

Met dit bestemmingsplan worden woningen mogelijk gemaakt waarvoor in het voorgaande bestemmingsplan in de vormvrije m.e.r.-beoordeling geconcludeerd is dat er geen sprake is van belangrijke negatieve effecten. Daarmee geldt ook voor dit bestemmingsplan dat significant negatieve effecten uitgesloten kunnen worden.

Op basis van de Implementatiewet herziening m.e.r.-richtlijn dient het bevoegd gezag (de gemeenteraad) over dit plan (bij de vaststelling ervan) een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.

Hoofdstuk 5 Waterparagraaf

5.1 Inleiding

In het kader van het voorgaande bestemmingsplan is de watertoets doorlopen. De randvoorwaarden en uitgangspunten die in het kader van de watertoets zijn verzameld zijn vastgelegd in de waterparagraaf in dat bestemmingsplan. Sinds 1 november 2003 is de watertoets een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan. Het doel van het watertoetsproces is om in een zo vroeg mogelijk stadium rekening te houden met water in ruimtelijke plannen en besluiten. In de startovereenkomst Waterbeleid voor de 21e eeuw en in het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben de gezamenlijke overheden bepaald dat water een sturend principe moet zijn in de ruimtelijke ordening.

Verantwoordelijk voor het waterbeheer in het plangebied is het Hoogheemraadschap van Rijnland. Via vergunningverlening en handhaving stelt het hoogheemraadschap eisen aan activiteiten die het watersysteem in dit beheersgebied kunnen beïnvloeden. De basis hiervoor is de zogenoemde Keur: een set van gebods- en verbodsbepalingen. Het voorgaande bestemmingsplan is getoetst aan de bepalingen en uitgangspunten die staan beschreven in de "Handreiking Watertoets", d.d. december 2011. Sinds 1 juli 2015 heeft Rijnland een nieuwe Keur, die na een grootschalige dereguleringsslag tot stand is gekomen. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Het uitgangspunt van deze Keur is 'ja, tenzij': in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald.

Huidige situatie

De gehele 'Verwondering' heeft een oppervlakte van circa 20 hectare. De locatie is gelegen tussen eerdere dorpsuitbreidingen (oostelijk) en de recent aangelegde golfbaan (westelijk). Het plangebied bevindt zich binnen de polder Nieuwkoop. Het hoogheemraadschap hanteert een streefpeil van NAP -6,30m. Het gebied had een agrarische functie en watert af door middel van een stelsel van poldersloten in zuidelijke richting.

Toekomstige situatie

Voor de gehele Verwondering bestaat de ontwikkeling uit de realisatie van maximaal 166 woningen inclusief de bijbehorende infrastructuur.

De realisatie van het Noordereiland maakt onderdeel uit van de ontwikkeling van De Verwondering. Het betreft 34 van de 166 woningen. Daarmee zijn de uitkomsten van de watertoets die voor het voorgaande bestemmingsplan gedaan zijn ook van toepassing voor het Noordereiland. Aangezien hiervoor een positief advies ontvangen is en door de deregulering er inmiddels minder regels in de Keur staan, kan dit ook als een positief advies voor het Noordereiland gezien worden.

5.2 Waterkwantiteit

Berging

De gehele Verwondering heeft een toename van circa 39.335 m² verhard oppervlak tot gevolg. Uitgaande van het uitgangspunt van het waterschap dient er 15% compenserend water gerealiseerd te worden (5.900 m²). Het bestaande oppervlaktewater in het plangebied wordt uitgebreid van ca. 4.020 m² naar 34.165 m² (toename: 30.145 m²) door middel van het verruimen van de bestaande waterlopen. Hiermee wordt ruim voldoende compenserend water gerealiseerd.

Afwatering

Het hoogheemraadschap heeft in het informele wateradvies de voorkeur aangegeven voor de afwatering van het plangebied naar het westen (richting het watersysteem van de golfbaan). Het water hoeft in dat geval niet eerst via een stuw naar beneden gestort te worden en vervolgens via het kleine gemaal langs de Nieuweveenseweg weer in het hoofdwatersysteem van de polder gepompt te worden. Dit gemaal en het aanvoerstelsel zijn nu niet ingericht op de afvoer van een woonwijk. Het realiseren van de afwatering in westelijke richting is een duurzamere oplossing dan aanpassen van het gemaal en het ontvangende watersysteem ten zuiden van het plangebied.

Daarnaast geeft het hoogheemraadschap aan dat de afwatering in het gebied veel zal verbeteren als het water in het plangebied op hetzelfde waterpeil wordt aangelegd als het hoofdwatersysteem van de polder (NAP -5,92 m). Het voordeel daarvan is dat het waterbezwaar over een groter gebied gespreid kan worden, waardoor er kleinere peilstijgingen optreden. Het zou een nog grotere verbetering zijn als ook de bestaande watergangen in Nieuwveen met het plangebied gekoppeld kunnen worden en in westelijke richting kunnen gaan afwateren.

5.3 Waterkwaliteit

Om verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater te voorkomen is het van belang om zo min mogelijk uitlogende of anderszins uitspoelende bouwstoffen toe te passen waardoor het afstromende hemelwater wordt vervuild.

5.4 Waterkeringen

In het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Direct ten noorden van het plangebied, maar buiten het gebied van het bestemmingsplan, is wel een waterkering (de Hogendijk) gelegen.

5.5 Afvalwaterketen

Hoogheemraadschap van Rijnland streeft naar het afkoppelen van afstromend regenwater van schoon verhard oppervlak. Binnen het plangebied zal een gescheiden rioleringsstelsel worden aangelegd. Het regenwater kan geloosd worden op het omringende oppervlaktewater. Het rioleringsstelsel dient nader uitgewerkt te worden door de gemeente Nieuwkoop.

5.6 Beheer en onderhoud nieuw oppervlaktewater

In de nieuwe situatie is sprake van nieuw oppervlaktewater. Het hoogheemraadschap en de gemeente zullen nadere afspraken maken over het beheer en onderhoud hiervan.

5.7 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de vaststelling van het plan. Wel zal ten aanzien van een aantal thema's nog nader onderzoek, dan wel een verdiepingsslag worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Inleiding

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het vaststellen van een digitale versie is per 1 januari 2010 verplicht. De digitale versie is de juridisch bindende versie.

Het bestemmingsplan 'De Verwondering Noordereiland' bestaat uit een verbeelding, de regels (inclusief bijlagen) en een toelichting (met bijlagen). De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast.

Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'De Verwondering Noordereiland' zijn opgebouwd conform de door het SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels. Er is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van het voorgaande bestemmingsplan.

6.2 Opzet en verantwoording van de planregels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken waarop hieronder wordt ingegaan:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

De inleidende regels bevatten de noodzakelijke begripsbepalingen die worden gebruikt in de regels. Het bevat definities om misverstanden te voorkomen (artikel 1). Ook is omschreven hoe er gemeten dient te worden (artikel 2). Door het geven van begripsomschrijvingen en aanwijzingen voor het meten, wordt de interpretatievrijheid verkleind en daardoor de duidelijkheid en rechtszekerheid vergroot.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In de artikelen 3 - 7 is, per artikel, een bestemmingsomschrijving gegeven en zijn de bouw- en gebruiksregels opgenomen.

Bestemming "Groen" (artikel 3)

De bestemming Groen is toegekend aan de gronden die ingericht worden als groenzone inclusief speelvoorzieningen. De bestemming is ook toegekend aan het park midden op het Noordereiland, de groene bermen rondom de wegen en de groene rand aan de oostzijde van het eiland. Deze groene strook biedt, naast een buffer richting bestaande bebouwing, ruimte voor de realisatie van de natuurvriendelijke oevers. Met de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - natuurvriendelijke oever" wordt de aanleg en instandhouding van deze rietkragen mogelijk gemaakt; ter plekke zijn geen bouwwerken toegestaan. Tevens zijn paden voor langzaamverkeer mogelijk gemaakt binnen deze bestemming en zijn (ondergeschikte) waterpartijen mogelijk.

Bestemming "Tuin - Oeverzone" (artikel 4)

De bestemming Tuin - Oeverzone is toegekend aan een strook van 6 meter breed aan de achterzijde van alle woonkavels die aan het water grenzen. Hiermee wordt een goede overgang naar het landschap geborgd doordat uitsluitend vlonders, terrassen en en keerwanden zijn toegestaan. De aldus bestemde gronden zijn geen "erfgebied" in de zin van het Besluit omgevingsrecht.

Bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" (artikel 5)

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is toegekend aan dat deel van het plangebied dat ingericht wordt en in gebruik genomen wordt voor ontsluitingswegen, parkeerplaatsen en kleine gedeelten groen rond de verkeersbestemming en paden. Ook water is binnen deze bestemming mogelijk.

Bestemming "Water" (artikel 6)

Deze bestemming betreft de watergangen langs de randen van het plangebied. Ter plekke van functieaanduiding "steiger" is slechts ten behoeve van het desbetreffende perceel één particuliere steiger of aanleggelegenheid toegestaan.

Bestemming "Woongebied - 2" (artikel 7)

De opzet van de bestemming "Woomgebied - 2" is identiek aan de bestemming 'Woongebied - 1' uit het voorgaande bestemmingsplan. Er zijn alleen bestemmingsvlakken aangewezen en geen bouwvlakken. Per bestemmingsvlak is het maximum aantal woningen benoemd (totaal voor alle bestemmingsvlakken: 34). Alleen vrijstaande woningen zijn binnen deze bestemming toegestaan. Beroepen aan huis worden toegestaan, mits ondergeschikt aan de woonfunctie en met voldoende parkeergelegenheid. Er is geen beeldkwaliteitsplan meer opgenomen.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

De algemene regels omvatten een anti-dubbeltelregel (artikel 8), algemene bouwregels (artikel 9), algemene gebruiksregels (artikel 10), algemene afwijkingsregels (artikel 11), algemene wijzigingsregels (artikel 12) en overige regels (artikel 13).

Anti-dubbeltelregel (artikel 8)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich voordoen indien een deel van het bouwperceel dat reeds bij de berekening van een maximum bebouwingspercentage was betrokken, wederom nu ten behoeve van de berekening van het maximum bebouwingspercentage van een ander bouwperceel wordt betrokken.

Algemene bouwregels (artikel 9)

Onder de algemene bouwregels zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van dakkapellen en ondergeschikte bouwdelen. Het gaat om algemene regels die van toepassing zijn op het gehele bestemmingsplan. Bouwen is uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormen.

Algemene gebruiksregels (artikel 10)

De algemene gebruiksregels gaan in op algemeen strijdig gebruik. Dit gaat om strijdig gebruik dat de verschillende bestemmingen overstijgt. Daarnaast is een regeling omtrent parkeren opgenomen, welke voorschrijft dat bestemmingen alleen mogen worden benut indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Algemene afwijkingsregels (artikel 11)

Hierin is specifiek vermeld welke afwijkingen van het bestemmingsplan zijn toegestaan.

Algemene wijzigingsregels (artikel 12)

Dit artikel vermeldt welke algemene wijzigingen ten opzichte van het bestemmingsplan zijn toegestaan.

Algemene procedureregels (artikel 13)

Dit artikel vermeldt welke procedure moet worden doorlopen als er gebruik wordt gemaakt van de nadere eisen die zijn opgenomen in hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) van de regels.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 14)

Het overgangsrecht bevat een regeling voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het inwerking treden van het plan, maar dat strijdig is met de regels van dit bestemmingsplan. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd. De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

Slotregel (artikel 15)

In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan aangehaald kan worden (titel van het bestemmingsplan). De redactie is wettelijk vastgelegd en overeenkomstig opgenomen.

6.3 Handhaving

Een bestemmingsplan is een bindend beleidsdocument en geldt voor iedereen, dus zowel voor burgers als voor de overheid. Een ieder kan hieruit aflezen welke bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gronden gelden en wat er juridisch-planologisch gezien binnen de omgeving aan mogelijkheden zijn. De gemeente kan naleving van het bestemmingsplan afdwingen en optreden tegen strijdig gebruik van gronden en vanwege de bouwregels.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

Omdat voorzien wordt in de realisatie van een 'bouwplan', moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

In artikel 6.12, lid 1, Wet ruimtelijke ordening wordt gesteld dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt de definitie gegeven van een bouwplan. In artikel 6.12, lid 2, van Wet ruimtelijke ordening wordt vermeld dat "in afwijking van het eerste lid de gemeenteraad, bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, een wijziging als bedoeld in artikel 3.6, lid 1, een projectbesluit of een besluit als bedoeld in artikel 3.40, eerste lid, kan besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is".

De gronden binnen het bestemmingsplan zijn eigendom van de gemeente. De gemeente bepaalt de fasering en verdere uitwerking van het bouwplan, maakt de gronden bouw- en woonrijp en geeft de gronden uit voor realisatie van woningbouw. De dekking van de kosten vindt plaats door de uitgifte van gronden. Voor eventuele tekorten op haar grondexploitaties treft de gemeente een voorziening. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarmee overbodig. Het bestemmingsplan is economisch uitvoerbaar.

Er is voor eventueel te betalen vergoedingen van planschade in de grondexplotatie (vastgesteld door de gemeenteraad op 14 december 2017) een voorziening getroffen.

Geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het maatschappelijke draagvlak van het bestemmingsplan wordt getoetst door middel van wettelijk vooroverleg en de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan voor zienswijzen.

8.1 Vooroverleg

Het ontwerp bestemmingsplan wordt, ten behoeve van het overleg op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, verzonden aan de betrokken bestuurlijke instanties: provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Rijnland en de Veiligheidsregio Midden-Holland.

De uitkomsten van dit vooroverleg worden waar nodig in het bestemmingsplan verwerkt.

8.2 Ontwerp bestemmingsplan

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit betekent dat het college van burgemeester en wethouders het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, voor een periode van zes weken ter inzage dient te leggen. Gedurende deze periode kan een ieder zienswijzen tegen het bestemmingsplan naar voren brengen. De zienswijzen worden waar nodig en mogelijk in dit bestemmingsplan verwerkt.