direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Noordeinde 13 e.o.
Status: ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan het Noordeinde 13 e.o. aan de rand van de kern Noordeinde was jarenlang een akkerbouwbedrijf gevestigd. De bedrijfsactiviteiten op het bouwperceel zijn beëindigd. Het perceel is vervolgens verkocht. De huidige eigenaar wenst gebruik te maken van de in het bestemmingsplan 'Kern Nieuwveen & Zevenhoven & Noordeinde' opgenomen wijzigingsbevoegdheid om ter plaatse 45 grondgebonden woningen op te richten (2016). Deze wijzigingsbevoegdheid was ook al opgenomen in het eerder op 3 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan 'Zevenhoven - Noordeinde'.
De gemeente is al enige tijd in gesprek met initiatiefnemer over de woningbouwontwikkeling, wat heeft geresulteerd in bestuurlijke afspraken tussen beide partijen. Daarbij wordt opgemerkt dat een klein gedeelte van de gronden in eigendom is van de gemeente Nieuwkoop. Het betreft het meest oostelijk deel van het gebied, gelegen tussen de dijk en de eerste sloot evenwijdig hieraan. Deze gronden maken geen onderdeel uit van onderhavige planontwikkeling. De bouw van extra woningen draagt bij aan de vitaliteit en leefbaarheid van Noordeinde. Om deze woningbouwontwikkeling mogelijk te maken is dit wijzigingsplan opgesteld.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt ten noorden van de aan de Jacob van den Damstraat gelegen woningen met als planbegrenzing een bestaande sloot. Het oostelijke deel grenst achter de dijk van het Noordeinde. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door het fietspad dat de kernen Noordeinde en Zevenhoven met elkaar verbindt. Verderop in westelijke richting ligt de kern Nieuwveen; in zuidelijke richting de kern Zevenhoven. Tussen deze kernen ligt het veenweidegebied. In figuur 1 is een situatietekening van het plangebied en omgeving opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0001.png"

 Figuur 1: Plattegrond plangebied (rood omlijnd) en omgeving.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Voor onderhavig plangebied geldt het volgende bestemmingsplan:

Bestemmingsplan   Raadsbesluit   Uitspraak ABRvS  
“Kern Nieuwveen & Zevenhoven & Noordeinde"   15 december 2016   -  

De gronden zijn bestemd voor 'Agrarisch' (figuur 2) met de 'gebiedsaanduiding luchtvaarverkeerzone - 20ke' en 'gebiedsaanduiding wetgevingszone - wijzigingsgebied 1'. Deze wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in artikel 34.2 van de planregels. De op de verbeelding opgenomen gronden mogen geheel of gedeeltelijk worden gewijzigd in de bestemming 'Groen', 'Tuin', 'Wonen' en/of 'Verkeer - Verblijfsgebied', met dien verstande dat:

  • a. er maximaal 48 grondgebonden woningen gerealiseerd mogen worden;
  • b. de goothoogte maximaal 6 m bedraagt en de bouwhoogte maximaal 10 m;
  • c. er op de desbetreffende gronden wordt voorzien in voldoende parkeervoorzieningen volgens het 'Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015';
  • d. voorzien moet worden in compensatie in de vorm van oppervlaktewater, conform het beleid van de waterbeheerder;
  • e. voldaan dient te worden aan de eisen van de Wet geluidhinder;
  • f. uit onderzoek blijkt dat de woningen vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar zijn;
  • g. de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • h. na wijziging het bepaalde in de artikelen 9, 15, 17 en 19 van toepassing is.

De eigenaar van de gronden ten westen van het bebouwingslint aan het Noordeinde wenst 45 woningen te realiseren. In het lint aan het Noordeinde tussen de dijk en de eerste sloot zijn nog drie vrijstaande woningen mogelijk. Deze planontwikkeling is hierin niet meegenomen. In dit wijzigingsplan wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de in de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarden, zoals beschreven in de Planbeschrijving en Milieu en omgevingsaspecten, zodat woningbouw planologisch en milieutechnisch mogelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0002.png"

Figuur 2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Kern Nieuwveen & Zevenhoven & Noordeinde (plangebied rood gearceerd aangeduid).

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de huidige situatie en hoofdstuk 3 geeft een planbeschrijving van de nieuwe toestand. In hoofdstuk 4 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit wijzigingsplan relevante rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 5 omvat de waterparagraaf. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Ook uitvoeringsaspecten worden hier beschreven. In hoofdstuk 7 wordt de keuze voor de planmethodiek nader toegelicht. Hoofdstuk 8 is gewijd aan de economische uitvoerbaarheid. In hoofdstuk 9 wordt tenslotte ingegaan op de uitkomsten van de gehouden inspraak en het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 2 Bestaande situatie

2.1 Ruimtelijke en functionele structuur

Het plangebied ligt ten zuiden van de bestaande woonbebouwing van de kern Noordeinde. De relatie met het buitengebied wordt benadrukt door de hogere ligging van dit historische polderlint op een veenlichaam met aangrenzende (geclusterde) woonbebouwing ten westen hiervan. De uitbreiding van Noordeinde heeft zich achter het oorspronkelijke bebouwingslint ontwikkeld met traditionele blokverkaveling en woonerven. Het plangebied grenst aan de noordelijk gelegen woonwijk, waar vooral eengezinswoningen staan in rijtjes van vier tot zeven woningen. Kenmerkend zijn het blokvormige stratenpatroon en straatgerichte wonen. De woningen bestaan veelal uit twee bouwlagen met een kap. Aan de randen staan enkele vrijstaande woningen. Het plangebied zelf heeft nu nog een agrarische bestemming. De gronden achter het bouwperceel zijn in gebruik voor de akkerbouw.

Noordeinde met links bebouwingslint. Achterzijde noordoostelijk gelegen woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0003.png"

De Jacob van den Damstraat. Plangebied met aansluitend Jacob van den Damstraat.

2.2 Bestaande situatie plangebied

Het plangebied was vroeger in gebruik als akkerbouwbedrijf. Binnen het voormalige bouwvlak staat nog een bedrijfswoning, welke niet meer worden bewoond. De opslagloodsen met bijbehorend erf worden tijdelijk gebruikt voor opslag van een bouw- en aannemersbedrijf (de huidige eigenaar). De gronden ten westen hiervan worden jaarlijks verpacht voor akkerbouw.

De voormalige bedrijfswoningen en opslagloodsen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0004.png"

De opslagloodsen vanaf achterzijde Jacob van den Damstraat. Plangebied vanaf Vijfbruggenpad.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Ontwikkelingen

Het plangebied is als agrarisch bestemd, waarbij de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing al is wegbestemd ten behoeve van de wijzigingsbevoegdheid naar woondoeleinden. De te slopen bedrijfsbebouwing (waaronder de bedrijfswoning) met bijbehorende akkerbouwgronden maakt plaats voor 45 grondgebonden woningen in het plangebied, welke bijdragen aan het behoud van voorzieningen en de leefbaarheid van Noordeinde.

3.2 Randvoorwaarden en uitgangspunten

Stedenbouwkundige opzet
Een lineaire verkaveling wordt voorgestaan in oost-westrichting, welke aansluit op de noordelijk gelegen woningbouw aan de Jacob van den Damstraat. Langs het westelijk gelegen fietspad zijn twee-onder-één-kapwoningen toegestaan. Hiermee wordt tevens de sociale veiligheid vergroot. Aansluiting dient te worden gezocht met de goot- en bouwhoogte van de noordelijk gelegen woningen. Dit betekent een maximum goot- en bouwhoogte van respectievelijk circa 6 en 10 meter. De bestaande noordelijk en oostelijk gelegen watergangen dienen te worden gehandhaafd. Hierdoor ontstaat tevens een duidelijke markering tussen het openbaar gebied en de nieuwe woonkavels.

Ontsluitingsstructuur
De woningen worden ontsloten via twee ontsluitingswegen, zodat het plangebied ook bij calamiteiten goed bereikbaar is. Via het Noordeinde kan gebruik worden gemaakt van de bestaande uitrit, welke zal worden opgewaardeerd. De doodlopende weg van Jacob van den Damstraat dient te worden doorgetrokken via een duiker of brug over de watergang. Parkeren dient in beginsel plaats te vinden op eigen erf overeenkomstig de door de gemeente vastgestelde Parkeernota.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0005.png"

De bestaande ontsluiting vanaf Noordeinde. De nog doodlopende Jacob van den Damstraat.

Woningtypologie
De grondgebonden woningen zullen worden gerealiseerd in de goedkope, middeldure en dure koopsector.

3.3 Nieuwe situatie

3.3.1 Planopzet

Met in achtneming van de geformuleerde uitgangspunten en randvoorwaarden is een verkavelingsplan opgesteld, waarbij aan weerszijden van de nieuwe ontsluitingsweg drie blokken woningen mogelijk worden gemaakt, welke worden onderbroken met groenstroken (noordelijk deel) en garages bij woningen in het middeldure segment (zuidelijk deel). Ten noorden van de woningen wordt een groenstrook gerealiseerd met paden, zodat een klein ommetje kan worden gemaakt langs de watergang. Voorts wordt een blok woningen in noord-zuidrichting geprojecteerd, waarbij de sloot ten westen van de dijk in stand wordt gehouden. In westelijke richting voorziet het plan in 6 twee-onder-één-kapwoningen. Het plangebied wordt ontsloten met twee bruggen over de bestaande watergangen. De verkavelingstekening is opgenomen in figuur 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0006.png"

Figuur 3: Impressie verkavelingsplan (indicatief).

3.3.2 Woningbouwprogramma

Het woningbouwprogramma bestaat uit 45 aaneengesloten woningen en twee-onder-een-kap woningen. De aaneengesloten woningen zijn bestemd voor de doelgroepen starters en doorstromers. De nieuwbouw bestaat uit een mix van goedkoop, middelduur en dure woningen. Het programma is opgenomen in tabel 3.1

Tabel 3.1 Woningbouwprogramma

Woningen   Financieringscategorie   Aantal  
aaneengesloten   goedkope sector (sociaal)   13 (circa 30%)  
aaneengesloten   middeldure sector   26  
twee-onder-één-kap   dure sector   6  
Totaal     45  

3.4 Verkeer en parkeren

Verkeer
In het voorliggende plan wordt de bereikbaarheid gerealiseerd door gebruik te maken van de bestaande uitrit vanaf het Noordeinde en de doodlopende Jacob van den Damstraat door te trekken, zodat het plangebied twee ontsluitingen krijgt. In noordelijke richting wordt het Noordeinde ontsloten op de Oost Provincialeweg N231 (Alphen a/d Rijn - Aalsmeer). Via het oostelijk gelegen Tochtpad is N462 (richting Alphen) bereikbaar.
In de nabijheid van het plangebied is een bushalte van Arriva aan het Tochtpad met een busverbinding tussen Alphen aan den Rijn en Uithoorn (lijn 147).

Noordeinde. Tochtpad richting N462.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0007.png"

Bushalte aan Tochtpad. Ontsluiting via Simon Stouthandelstraat.

Parkeren
Voor de gevraagde woningbouw worden de parkeernormen aangehouden overeenkomstig de door de gemeenteraad op 17 september 2015 vastgestelde Nota Parkeerbeleid gemeente Nieuwkoop 2015. De parkeernormen in de rest van de bebouwde kom zijn opgenomen in tabel 3.2. In tabel 3.3 is aangegeven in welke mate het aanbod aan parkeerplaatsen op eigen terrein bij de functie 'Wonen' wordt meegeteld bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen in de openbare ruimte.

Tabel 3.2 Parkeernormen

Functie   Rest bebouwde kom   waarvan aandeel bezoekers   aantal woningen   totaal aantal parkeerplaatsen   Opmerking  
Woning           Minimaal 0,3 pp openbaar toegankelijk 1  
Koop twee onder een kap   2,4   0,3 pp   6   14,4    
Koop tussen/ hoek   2,2   0,3 pp   39   85,8    
           
Totaal         100,2    

1 Bij alle woningen moet minimaal 0,3 pp openbaar toegankelijk zijn.

 

Tabel 3.3 Berekening parkeervoorziening

Parkeervoorziening   Theorie   Berekening  
Enkele oprit   1   0,8  
Lange oprit zonder garage (minimaal 10 meter)   2   1,0  
Dubbele oprit (minimaal 4,5 meter breed) zonder garage   2   1,7  
Garage zonder oprit bij woning   1   0,4  
Garagebox niet bij woning   1   0,5  
Garage met enkele oprit (minimaal 5 meter diep)   2   1,0  
Garage met dubbele oprit (minimaal 10 meter)   3   1,3  
Garage met dubbele oprit (minimaal 4,5 meter breed)   3   1,8  

Parkeerbalans nieuwe situatie
Op basis van dit woningbouwprogramma kan de totale parkeerbehoefte worden vastgesteld op 100 parkeerplaatsen. In totaal worden 105 parkeerplaatsen aangelegd, waarvan 85 parkeerplaatsen in het nieuw aan te leggen openbare gebied. De overige 20 parkeerplaatsen worden op eigen terrein aangelegd bij woningen, zodat dit plan kan voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Bij uitwerking van bouwplannen dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm. In de Algemene gebruiksregels van het wijzigingsplan wordt dit geborgd.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 22 november 2011 heeft de Tweede Kamer de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) met bijbehorende stukken aangenomen. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 13 maart 2012 het vaststellingsbesluit zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) van de SVIR ondertekend. Daarmee is het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid zoals uiteengezet in de SVIR van kracht geworden.
De structuurvisie bevat een concrete, bondige actualisatie van het mobiliteit- en ruimtelijke ordeningsbeleid. Dit nieuwe beleid vervangt de Nota Mobiliteit, de Nota Ruimte en de structuurvisie Randstad 2040. De structuurvisie heeft betrekking op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, water)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen met betrekking tot (inter)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Alleen in de stedelijke regio's rond de mainports (Amsterdam c.a. en Rotterdam c.a.) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Overige sturing op verstedelijking zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Zo wordt bijvoorbeeld de integrale afweging met betrekking tot de gebiedsontwikkeling Zuidplaspolder niet langer opgenomen in de realisatieparagraaf SVIR. Het hieraan gerelateerde Programma Randstad Urgent en Nota Ruimte Budget komt eveneens te vervallen.

Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening.

4.1.2 AMvB Ruimte

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (afgekort Barro) bevat een beperkt aantal beslissingen van wezenlijk belang (15 nationale belangen) uit de nieuwe Structuurvisie. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro en de hierbij behorende ministeriële regeling zijn op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 is het besluit aangevuld met voorschriften voor de andere beleidskaders uit de SVIR, het Nationaal Waterplan en het Derde Structuurschema Elektriciteitsvoorziening. Het gaat hierbij onder andere om rijksvaarwegen, hoofdwegen en hoofdspoorwegen en ecologische hoofdstructuur (EHS), thans Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het kabinet heeft de keuze voor deze onderwerpen gemaakt in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (2017)

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro)
Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen neemt het Rijk enkel nog een 'Ladder' voor duurzame verstedelijking op. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Dit betekent dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving wordt opgenomen van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Doel van de ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. De ladder is als een procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Hierna wordt de planontwikkeling getoetst aan de Ladder, zoals deze vanaf 1 juli 2017 geldt.

Toetsing initiatief aan Ladder voor duurzame verstedelijking
De belangrijkste motiveringsplichten van de nieuwe Ladder, namelijk dat de behoefte aan een nieuwe ontwikkeling moet worden aangetoond en dat moet worden toegelicht – als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd – waarom het bestaand stedelijk gebied niet geschikt is voor de nieuwe ontwikkeling, vloeien voort uit andere wettelijke normen en jurisprudentie. Ook in het geval er geen sprake is van een formele 'nieuwe stedelijke ontwikkeling', moet toch het nut en de noodzaak aan die ontwikkeling en de uitvoerbaarheid daarvan worden aangetoond. Bij het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt het volgende geconstateerd:

Ad behoefte
Er is sprake van een behoefte. Dit blijkt onder andere uit paragrafen 4.2.2 en 4.3.2 De invulling van het plangebied met 45 woningen voor de doelgroep starters en doorstromers sluit goed aan bij de provinciale en gemeentelijke ambitie, waarbij gestreefd wordt naar duurzame woningen in de woonkern. De gewenste ontwikkeling voldoet aan de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte.

Ad bestaand stedelijk gebied
Bestaand stedelijk gebied wordt in de Bro gedefinieerd als 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom (binnen de bebouwde ruimte zoals opgenomen in figuur 4) van Noordeinde. De invulling van het plangebied met woningen levert vanuit de verstedelijkingsladder geen belemmering op.

4.1.4 Conclusie Rijksbeleid

Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. De woningbouw is voorts in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Vanuit rijksbeleid zijn er geen beperkingen aan deze planontwikkeling.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Visie ruimte en mobiliteit

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 9 juli 2014 de Visie ruimte en mobiliteit (VRM) en de bijbehorende uitvoeringsdocumenten vastgesteld. De actualisering 2016 van de VRM, het Programma ruimte, de Verordening ruimte en de Cultuurhistorische Hoofdstructuur is op 14 december 2016 vastgesteld door Provinciale Staten. Deze actualisering heeft betrekking op een reeks van onderwerpen, waaronder de actualisering van de regionale visies voor wonen en kantoren. Dit beleidskader geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Uitgangspunt vormt steeds de maatschappelijke vraag. Ook rekent de provincie op de daadkracht van maatschappelijke partners, met wie zij intensievere samenwerking zoekt.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

Bij de VRM horen: de Visie ruimte en mobiliteit, de Verordening ruimte, het Programma ruimte en het Programma mobiliteit. De Agenda ruimte bevat een concretere uitwerking van de VRM. In de VRM zijn 4 thema's te onderscheiden.

  • 1. Beter benutten en opwaarderen

De provincie vangt de groei van de bevolking, de mobiliteit en de economische activiteit vooral op in de bestaande netwerken en bebouwde gebieden. Steden bieden nog volop kansen om te bouwen en te verbouwen. Ze kunnen de hoofdmoot voor hun rekening nemen van de woningen die Zuid-Holland tot 2030 extra nodig heeft. Daardoor kan het landelijk gebied open blijven. Door de schaalvoordelen blijft het mogelijk om goed openbaar vervoer tussen knooppunten te laten rijden. Gemeenten stellen regionale visies voor woningen en kantoren op. Door deze visies stemmen de gemeenten het aanbod met elkaar af op de reële behoefte naar woningen en kantoren. Op deze wijze wil de provincie het overschot aan kantoren terugdringen en het tekort aan woningen voor bepaalde segmenten kleiner maken.

  • 2. Versterken stedelijk gebied (agglomeratiekracht)

Meer concentratie en specialisatie van locaties die onderling goed verbonden zijn, leidt tot de versterking van de kennis- en bedrijvencentra op het Europese en wereldtoneel. De provincie wijst in de VRM de concentratielocaties met goede ontsluiting aan. Daarnaast werkt de provincie aan een goede aantakking van de Zuid-Hollandse economie op het nationale, Europese en wereldwijde netwerken van goederen- en personenvervoer. Detailhandel is een belangrijke drager voor levendige centra. De VRM concentreert winkels zoveel mogelijk in bestaande winkelgebieden om leegstand in de binnenstad te voorkomen.

  • 3. Versterken ruimtelijke kwaliteit

Het provinciale landschap valt onder te verdelen in drie typen, gekenmerkt door veenweiden, rivieren en kust. Het verstedelijkingspatroon, de natuurwaarden en het agrarisch gebruik sluiten daarop aan. De provincie stelt de versterking van de kwaliteiten van gebieden centraal in het provinciaal beleid. Per nieuwe ontwikkeling zal voortaan eerst worden bekeken of het nodig is om het buiten bestaand stads– en dorpsgebied te realiseren. De voorwaarde hierbij is dat de maatschappelijke behoefte is aangetoond en de nieuwe ontwikkeling bijdraagt aan het behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Bij ruimtelijke kwaliteit gaat het om een integrale benadering waarbij de samenhang tussen bruikbaarheid, duurzaamheid én belevingswaarde in acht wordt genomen.

  • 4. Bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving

In de VRM zet de provincie in op de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Door ruimtelijke reserveringen te maken voor de benodigde netwerken en via haar vergunningen- en concessiebeleid, draagt de provincie hieraan bij. Blikvanger is het warmtenet. Restwarmte uit de Rotterdamse mainport kan in de toekomst via een ondergronds leidingstelsel worden getransporteerd naar de greenport Westland-Oostland, waar er kassen mee worden verwarmd, en naar steden om te voorzien in de warmtebehoefte van bewoners en bedrijven.

Beter benutten en opwaarderen bebouwde ruimte
De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk.
De regionale programmering van het planaanbod van woningen, bedrijventerreinen, kantoren en winkelcentra sluit niet overal aan op de veranderde vraag. De provincie zet zich ervoor in om die match te verbeteren. Zo kan een gezonde markt ontstaan en kunnen tegelijk de mogelijkheden van de bebouwde ruimte optimaal worden benut.

Wonen
De belangrijkste opgave in het provinciale woningbouwbeleid is om voldoende geschikte huisvesting mogelijk te maken voor de veranderende bevolking. Die bevolking verandert door processen van vergrijzing, diversiteit en individualisering. Dat werkt door in de vraag naar woonmilieus. Ook de wijze waarop woningen en de woonomgeving ontwikkeld worden, verandert. Vraaggerichte, organische ontwikkeling komt steeds meer naast grootschalige, planmatige ontwikkeling. De rol van projectontwikkelaars en beleggers verandert. Dat geldt ook voor de rol van overheden en de wijze van beleid maken.
Er is een toenemende behoefte aan woningen in centrumstedelijke en buitencentrummilieus. Bouwen in het BSD voldoet (bij uitstek) aan deze behoefte. Daarnaast blijft vraag bestaan naar groenstedelijke, dorpse en landelijke milieus. Toevoegingen binnen bestaande stadswijken, dorpen en kleine kernen kunnen hier tot op zekere hoogte in voorzien. Ter aanvulling blijft enige uitbreiding nodig voor deze milieus en andere woningbouw die niet binnen het BSD inpasbaar blijkt te zijn met behoud van leefkwaliteit.
Binnen Zuid-Holland bestaan grote verschillen in de omvang van de woningbehoefte. Aan de ene kant zijn er gebieden waar de behoefte aan nieuwe woningen groot blijft, ook op lange termijn (na 2030). Deze liggen in of aan in de hoogstedelijke zone. Toch is de afzet van de woningbouw waarin de huidige plannen voorzien, niet altijd zeker. Dat geldt in het bijzonder voor de gemeentelijke plannen die stammen uit de Vinex-periode. Deze kenmerken zich door relatief dure eengezinswoningen aan stadsranden. Het afzetrisico van deze woningbouw wordt niet zozeer veroorzaakt door de crisis, maar is vooral het gevolg van structurele demografische ontwikkelingen.
Aan de andere kant zijn er gebieden waarvoor de prognoses een bevolkingsdaling aangeven, deels na 2030. Voor de woningbehoefte vertaalt dit zich in een geringe groei of in het geheel geen groei. Ook die ontwikkeling is structureel. Daardoor wordt het aanhouden of ontwikkelen van een grote plancapaciteit met een niet-gevraagde kwaliteit zeer risicovol. Gemeenten kunnen onderlinge concurrentie voorkomen door het maken van afspraken over planreductie, en zo de haalbaarheid van de meest kansrijke plannen vergroten. De provincie bevordert dit proces door samenwerkende gemeenten ruimte voor keuzes te geven, maar ook waar nodig grenzen te stellen.

Kwaliteitskaart
Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en een aantal bepalingen in de verordening. De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. Op de Kwaliteitskaart is het gebied aangeduid als “steden en dorpen” en "stads- en dorpsrand", terwijl het plangebied op kaart 1 'Beter benutten bebouwde ruimte' is aangeduid binnen de bebouwde ruimte. Op de kaart 'Laag van de stedelijke occupatie' (kaart 20) van de Structuurvisie is het plangebied eveneens aangeduid als "steden en dorpen" en "stads- en dorpsrand". In figuur 4 is een uitsnede van de Kwaliteitskaart en Kaart 1 opgenomen. De planontwikkeling maakt onderdeel van de lokale woningbehoefte en is als zodanig opgenomen in de Regionale Woonvisie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0008.png"

Figuur 4: uitsnede kaart Kwaliteitskaart (linker kaart) en 'Beter benutten bebouwde ruimte' (rechter kaart). Het plangebied is met een rode omlijning aangeduid.

Conclusie
De herontwikkeling van een voormalig agrarisch bedrijfscomplex naar woningen is in overeenstemming met thema 1 (beter benutten en opwaarderen), omdat woningbouw binnen het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Voldaan wordt aan de provinciale belangen met betrekking tot functie en gebruik.

4.2.2 Verordening ruimte

Ladder voor duurzame verstedelijking
De in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen in de Verordening Ruimte van 9 juli 2014 en de partiële wijziging van 14 december 2016 (artikel 2.1.1 van de Verordening). Op grond van dit artikel dient een bestemmingsplan (waaronder tevens begrepen een wijzigingsplan) waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt te voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1. van toepassing is, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

In de begripsbepalingen wordt onder bestaand stads- en dorpsgebied verstaan:
bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In lid 2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bij de aanvaarding van een regionale visie kunnen aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking
Dit wijzigingsplan maakt de ontwikkeling mogelijk van 45 grondgebonden woningen in het bestaand stedelijk gebied, zoals dat hiervoor is omschreven in de begripsbepaling voor bestaand stads- en dorpsgebied. Voldaan wordt aan de eerste trede van de ladder zoals beschreven in paragraaf 4.3.2. Binnen de woonkernen Nieuwveen, Noordeinde en Zevenhoven zijn de mogelijkheden om planaanbod toe te voegen beperkt. Verdere verdichting binnen de dorpskernen past niet bij de ruimtelijke kwaliteiten van een dorp. Voor de kernen Noordeinde, Zevenhoven en Nieuwveen geldt dat verder transformeren of herstructureren binnen bestaand stedelijk gebied onvoldoende soelaas biedt om in de woonbehoefte te voorzien. Recente uitbreidingen waren eveneens slechts aan de rand van het dorp mogelijk zoals bijvoorbeeld het Land van boer Bos in Nieuwveen. Het plan vormt een herontwikkeling binnen bestaand stads- en dorpsgebied en voldoet daarmee aan trede 2 van de ladder voor duurzame verstedelijking. Aangezien het plan voldoet aan trede 2 van de Ladder voor duurzame verstedelijking, hoeft het plan niet aan de vereisten van trede 3 te worden getoetst.

Ruimtelijke kwaliteit
Op grond van artikel 2.2.1, lid 1 van de Verordening ruimte (Ruimtelijke kwaliteit) kan een bestemmingsplan c.a. wijzigingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:

  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet qua aard of schaal niet past binnen het gebied (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Toelichting Verordening ruimte op kwaliteitsbeleid
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheid maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde beschermingscategorie. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen 1) moeten passen binnen de bestaande gebiedsidentiteit en 2) moet voldoen aan de relevante richtpunten van de Kwaliteitskaart. Als een ontwikkeling niet past bij de aard en/of de schaal van het gebied zijn ontwerpoptimalisaties, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren.

Toetsing aan ruimtelijke kwaliteit
Op de Kwaliteitskaart is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Als richtpunten wordt onder andere het volgende aangehouden:

  • Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
  • Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand.
  • Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.

Voor ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand geldt als richtlijn dat deze bijdragen aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). De nieuwbouw is ruimtelijk goed inpasbaar, omdat hetzelfde verkavelingspatroon van de noordelijk gelegen Jacob van den Damstraat wordt aangehouden, Deze planontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en qua aard en schaal bij wat er al in de directe omgeving in de woonkern Noordeinde. Voormalige agrarische bedrijfsbebouwing wordt gesaneerd ten gunste van een woonfunctie. Gesteld kan worden dat hier sprake is van 'inpassing', zodat aanvullende maatregelen op het vlak van ruimtelijke kwaliteit niet nodig zijn voor dit plan.

20 Ke-contour Schiphol
In artikel 2.1.11, lid 1 is opgenomen dat woningbouw uitsluitend binnen bestaand stads- en dorpsgebied is toegestaan voor de gronden binnen de 20 Ke-contour, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op 'Kaart 13 20 Ke-contour Schiphol'. Het plangebied ligt binnen de 20 Ke-contour, doch eveneens binnen de door Gedeputeerde Staten op 9 december 2014 vastgeselde kaart 'Bestaand stads- en dorpsgebied'.
In lid 3 is nog opgenomen dat in de toelichting van het bestemmingsplan rekenschap moet worden gegeven van het feit dat voor nieuwe woningen op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en worden de redenen vermeld die er toe hebben geleid om op de betreffende locatie nieuwe woningen te bestemmen.

Ter uitwerking hiervan hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 23 mei 2017 de 'Beleidsregel wonen en vliegen 20Ke-contour Schiphol' vastgesteld, waarin de afspraak uit de Verordening ruimte ten aanzien van het geven van rekenschap van het bouwen in geluidbelast gebied nader is uitgewerkt. Tevens hebben Gedeputeerde Staten aan zeven gemeenten (waaronder Nieuwkoop) binnen de 20Ke-contour gevraagd om een beleidsregel vast te stellen waarin gemaakte afspraken verder worden uitgewerkt. Deze afspraken betekenen inhoudelijk het volgende:

  • De gemeente maakt een transparante afweging van woningbouw binnen de 20Ke-contour in het bestemmingsplan;
  • De gemeente bewaakt de zorg voor een deugdelijke en objectieve informatievoorziening richting toekomstige gebruikers;
  • De gemeente neemt verantwoordelijkheid voor klachtenafhandeling;
  • De luchtvaartsector wordt gevrijwaard van extra kosten.

De woningbouw, die al in 2007 via een wijzigingsbevoegdheid is mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan, is nodig om te kunnen voorzien in de behoefte aan voldoende woningen in elke kern. De wijze waarop rekenschap wordt gegeven dat er sprake is van geluid vanwege luchtverkeer wordt beschreven in paragraaf 4.4.3. De geluidsaspecten worden beproken in paragraaf 6.1.2.

Conclusie
Het plangebied ligt binnen de BSD. Over deze ontwikkeling heeft regionale afstemming plaatsgevonden met het Holland Rijnland. De planontwikkeling is opgenomen in de Regionale Woonagenda (zie paragraaf 4.3.2). Voldaan wordt aan de eerste en tweede ladder voor duurzame verstedelijking. Er is geen strijd met de provinciale belangen. Resumerend kan worden geconcludeerd dat:

  • het plan in overeenstemming is met artikel 2.1.1 lid 1 van de Verordening ruimte (Ladder);
  • het plan in overeenstemming is met artikel 2.2.1 lid 1 sub a (inpassen) en lid 4 van de Verordening ruimte 2014 (ruimtelijke kwaliteit);
  • het plan is in overeenstemming met artikel 2.1.11, lid 1 van de Verordening ruimte 2014, actualisering 2016 (20 Ke-contour).

Gelet hierop is er geen strijdigheid met de provinciale belangen.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland

De gemeenten in de Rijnstreek, waaronder gemeente Nieuwkoop, zijn vanaf 1 april 2010 aangesloten bij het Samenwerkingsverband Holland Rijnland. In verband hiermede is de eerste partiële herziening van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld door het Algemeen Bestuur Holland Rijnland, waarin de Regionaal Strategische Agenda van het voormalige Rijnstreekberaad, de Transformatievisie Oude Rijnzone en de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Boskoop/ Rijnwoude vanuit de Rijnstreek zijn ingebracht. Deze visie is het gemeenschappelijke toetsingskader van alle Holland Rijnland-gemeenten, waartoe nu ook Nieuwkoop behoort. Op basis hiervan worden de ruimtelijke ontwikkelingen in Holland Rijnland tot 2020 getoetst. De regionale structuurvisie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

  • Holland Rijnland is een top woonregio;
  • Leiden vervult een regionale centrumfunctie;
  • concentratie van stedelijke ontwikkeling;
  • groen-blauwe kwaliteit staat centraal;
  • de Bollenstreek, Veenweide en de Plassen blijven open;
  • twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en greenport;
  • verbetering van de regionale bereikbaarheid. 

De woningbouwontwikkeling aan het Noordeinde 13 e.a. in de woonkern Noordeinde levert een bijdrage aan uitwerking van de eerstgenoemde kernbeslissing om in de regio tot 2020 netto 33.000 woningen te bouwen. De woningen worden gebouwd binnen de Aaneengesloten Stedelijke Agglomeratie. Op de visiekaart maakt het plangebied onderdeel uit van het 'Stedelijk gebied' (figuur 5).

Conclusie
De woningbouwontwikkeling levert een bijdrage aan het woningbouwprogramma tot 2020 in de regio Holland Rijnland. Tevens wordt ingespeeld op de gewenste goedkope en middeldure en dure woonmilieus. Het planinitiatief is in overeenstemming met de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0009.png"

 Figuur 5: Uitsnede Regionale Structuurvisie.

4.3.2 Regionale Woonvisie

In het kader van de woningbouwprogrammering heeft Holland Rijnland een Regionale Woonvisie opgesteld. In deze visie zijn de woningbouwbehoeften en de woningbouwlocaties met de aantallen woningen in regionaal verband beschouwd. Het doel van de Regionale Woonvisie is tweeledig enerzijds willen partijen inzicht hebben in de behoefte naar woningen in Holland Rijnland en om hun (gezamenlijke) woningbouwprogramma daar op af te stemmen. Anderzijds heeft de provincie verzocht op regionaal niveau inzicht te geven in de woningbouwbehoefte en het -programma. De woningbouwontwikkeling in dit wijzigingsplan maakt onderdeel uit van dit woningbouwprogramma in categorie 1. De Regionale Woonvisie en het bijbehorende programma voor onder meer categorie 1 voldoet als kader voor de onderbouwing en afstemming van de woningbehoefte in bestemmingsplannen, welke Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland bij brief van 3 november 2015 hebben aanvaard.

Conclusie
De woningbouwontwikkeling aan Noordeinde 13 e.o. is één van de projecten die als categorie 1 is opgenomen in het woningbouwprogramma bij de Regionale Woonvisie, wat inhoudt dat er in regionaal verband behoefte mag worden verwacht voor de woningen in de woonkern Noordeinde en dat hierover in voldoende mate door de regio afstemming heeft plaats gevonden.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie

De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 16 juli 2009 de structuurvisie 'Nieuwkoop 2040 Ondernemend, Groen en Duurzaam' vastgesteld. In deze visie is de ruimtelijke ontwikkeling vastgelegd met een toekomstbeeld tot 2040. Nieuwkoop dient in 2040 een groene, dynamische en op duurzaamheid gerichte gemeenschap met sterke contrasten tussen de kernen, het agrarisch landschap en het natuurgebied te zijn. Nieuwkoop is in 2040 een duurzame gemeente die op zijn eigen manier sterk bijdraagt aan een mooi en vitaal Groene Hart. Daarbij richt de gemeente zich op kansrijke thema's voor de toekomst: rust, groen en ruimte voor de stedeling, duurzaamheid en het uitbouwen van het netwerk van de Hollandse Plassen. De 13 kernen van de gemeente hebben elk hun eigen karakter, afhankelijk van hun omvang en ligging. De kernen zijn daartoe onderverdeeld in drie categorieën (ABC). Deze indeling is gebruikt om gewenste ontwikkelingen te schetsen richting 2040 en een kader te bieden om ongewenste ontwikkelingen tegen te houden. De ABC indeling is gebaseerd op een samenspel van verschillende gegevens zoals ligging in een van de drie deelgebieden, inwonertal, bestaande plannen voor de toekomst, huidig voorzieningenpeil, beleving en openbaar vervoer voorzieningen.
De C-kernen waartoe Noordeinde behoort, zijn de kleine dorpen. Voor voorzieningen zijn deze grotendeels aangewezen op de A-kernen, waaronder het nabijgelegen Nieuwveen. In paragraaf 5.6 van de structuurvisie (Bouwen voor de toekomst) wordt niet ingegaan op een nieuwe invulling op perceelsniveau, zoals aan het Noordeinde 13 e.o. wordt beoogd. In het toekomstbeeld maakt het plangebied onderdeel uit van de aaneengesloten bebouwing (figuur 6).

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0010.png"

Figuur 6: Uitsnede toekomstbeeld structuurvisie.

Conclusie
De woningbouwontwikkeling loopt in de pas met de doelstellingen van de Structuurvisie, omdat woningbouw een bijdrage levert aan gewenste ontwikkelplannen, welke reeds is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. De planontwikkeling speelt voorts in op de behoefte aan groenstedelijke woonmilieus voor de doelgroepen starters en doorstromers.

4.4.2 Woonvisie

De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 6 oktober 2016 de Woonvisie Nieuwkoop 2016 - 2025 met als motto 'Woningbouw gericht op de behoefte; nu en in de toekomst' vastgesteld. Deze is tot stand gekomen op basis van een woningmarktonderzoek, de veranderingen in de woningmarkt en de input van de verschillende stakeholders. De nieuwe woonvisie brengt de voornaamste ontwikkelingen in de gemeente in beeld en beschrijft het gekozen woonbeleid. De belangrijkste beleidsaspecten in de woonvisie zijn:

  • Het bestaande kernenbeleid blijft het uitgangspunt in de gemeente;
  • Kansen scheppen voor jongeren die de wens hebben om in de gemeente te blijven wonen;
  • Het benutten van de aantrekkingskracht op jonge gezinnen;
  • Het vergroten van de voorraad sociale huurvoorraad;
  • Het vergroten van het aanbod van vrije-sector huurwoningen;
  • Verduurzamen van de woningvoorraad;
  • Stimuleren/creëren van mogelijkheden voor ouderen om zo lang mogelijk zelfstandig te wonen;
  • Voldoende woonmogelijkheden bieden voor mensen met een zorgvraag.

De Woonvisie geeft richting aan de gemeentelijke inzet rond ruimtelijke ordening, volkshuisvesting en het grondbeleid met als resultaat een woningaanbod dat ook in de toekomst blijft passen bij de bevolking van onze gemeente. Daarnaast stimuleert een gedragen Woonvisie ook andere partijen in de gemeente om een bijdrage te leveren aan het wonen in Nieuwkoop.

Nieuwbouw
De Woningbehoefteraming (WBR) 2016, opgesteld door de Provincie Zuid-Holland, laat zien dat in de gemeente tot en met 2025 een behoefte is aan ongeveer 1.100 woningen. De 1.100 woningen zijn nodig om de autonome bevolkingsgroei op te vangen. Het huidige bouwprogramma in de gemeente is ruim 800 woningen. Dit laat zien dat de vraag naar woningen (1.100) groter is dan het aanbod (800). De behoefte aan/ de ruimte voor nieuwe plannen benut de gemeente zo veel mogelijk door samen met andere partijen de verschillende volkshuisvestelijke opgaven te realiseren. Het blijft hierbij de voorkeur om nieuwbouw te realiseren in de grotere kernen en binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Naast de woningen ten behoeve van de groei van de eigen bevolking voorziet de gemeente in de (boven)regionale opgave met de bouw van 330 woningen boven de behoefteraming. De opgaven samen betekenen een bouwopgave van 1.430 (1.100 + 330) woningen tot en met 2025.
De beschikbare ruimte tussen de Woningbehoefteraming (WBR) en het bouwprogramma vraagt om nadere invulling. De beschikbare ruimte krijgt invulling vanuit de volkshuisvestelijke opgaven en de onbenutte bouwmogelijkheden. Er zijn binnen de gemeente namelijk nog onbenutte bouwmogelijkheden die buiten het huidige bouwprogramma vallen. Deze bestaande capaciteit bestaat onder andere uit nog niet gerealiseerde bedrijfswoningen en ruimte-voor-ruimte woningen.

De 45 grondgebonden woningen voorzien in de lokale behoefte. Dit programma met woningen in de sociale sector (circa 30%), koopwoningen in het lagere segment (26) en hogere segment (6) is opgenomen in het woningbouwprogramma. Een uitwerking van dit programma is opgenomen in paragraaf 3.3.2. De behoefte naar deze woningen is groot.

Conclusie
In de woonvisie wordt beperkt ingegaan op particuliere initiatieven. Geconstateerd wordt dat de gemeente niet de enige is die woningen bouwt in de gemeente, maar dat ook woningcorporaties een deel voor hun rekening nemen alsmede diverse particuliere initiatieven. Deze planontwikkeling levert een bijdrage aan de uitvoering van de Woonvisie om voldoende woningen te realiseren voor de doelgroep starters en doorstromers, waaronder 30% in de sociale sector.

4.4.3 Beleidsregel Wonen & Vliegen

De gemeenteraad van Nieuwkoop heeft op 11 mei 2017 de beleidsregel Wonen & vliegen (nieuwbouw binnen 20 Ke contouren en LIB 4) vastgesteld. De beleidsregel is op 26 mei 2017 in werking getreden. Met deze beleidsregel legt de gemeente vast op welke wijze zij ‘rekenschap’ geeft in bestemmingsplannen over bijvoorbeeld geluidsbelasting van nieuwe woningen en indien nodig maatregelen om het geluidsniveau binnen de woning te verminderen. In de toelichting van het ruimtelijke plan (hier het wijzigingsplan), is extra aandacht bij de afweging van de belangen die met de beoogde woningbouw zijn gemoeid binnen 20 Ke contour. Er worden afwegingen gemaakt in de toelichting waarbij lokale leefbaarheid en vitaliteit een belangrijke rol spelen. Ten aanzien hiervan wordt het volgende opgemerkt.

Woningbouw is mogelijk, omdat het plangebied is gelegen binnen de voormalige bebouwingscontour van het stads- en dorpsgebied van het streekplan Zuid-Holland Oost 2003. Met de handreiking 'Rekenschap geven' en de verplichting tot het vaststellen van een beleidsregel, heeft de gemeente de bevoegdheid om zelf in bepaalde gevallen belangen af te wegen. De gemeente dient daarbij verantwoordelijkheid te dragen voor ruimtelijke beslissingen in relatie tot luchtvaartgeluid, waarbij tevens verantwoordelijkheid genomen zal moeten worden voor het afhandelen van klachten uit gebieden waarin nieuwbouw wordt gepleegd. Op de volgende wijze zal rekenschap worden gegeven:

  • a. de woningen worden gebouwd overeenkomstig het bepaalde in het Bouwbesluit, waarbij in bijzonder aandacht zal worden gevraagd voor geluidsisolatie als gevolg van vlieglawaai. In de te verlenen omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen zullen hieraan voorwaarden worden verbonden.
  • b. In de exploitatieovereenkomst tussen gemeente en exploitant wordt vastgelegd dat:
    • 1. de exploitant bekend is met het feit dat het Plangebied zich geheel bevindt op een met vliegtuiggeluid belaste locatie en met de daaruit voortvloeiende gebruiksbeperkingen;
    • 2. de exploitant verplicht is een kettingbeding op te nemen in de koop/ verkoopovereenkomsten met de (toekomstige) eigenaren van de woningen, waarin wordt vastgelegd dat:
      • de gebruikers van de woningen bekend zijn met vliegtuiglawaai van vliegverkeer vanaf en naar Schiphol;
      • de luchtvaartsector gevrijwaard wordt van extra (isolatie)kosten als gevolg van de planologische ruimte voor woningbouw binnen de 20Ke-contour

De gemeente zelf zal vooralsnog gebruik maken van bestaande structuren van informatievoorziening en klachtenafhandeling.

Conclusie
Dit wijzigingsplan houdt rekening met de Beleidsregel Wonen & Vliegen door in de exploitatieovereenkomst afspraken te maken met de marktpartij over de hiervoor genoemde punten.

4.4.4 Gemeentelijk milieubeleid

Duurzaamheidsagenda 2015-2018
Het algemene kader voor het milieubeleid van de gemeente Nieuwkoop is vastgelegd in de Duurzaamheidsagenda. Dit beleid kent een directe relatie met de ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld met betrekking tot de doelstellingen voor duurzame inrichting, voor duurzame (steden-)bouw, als ook voor het klimaat en energiebesparing, gebaseerd op het werkprogramma Schoon en Zuinig van het Kabinet. Voor bepaalde milieuaspecten is het milieubeleid nader uitgewerkt. Hierop wordt in Hoofdstuk 6 (omgevingsaspecten) nader ingegaan.

Conclusie
De nieuwbouwontwikkeling voldoet aan het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaam bouwen.

4.5 Conclusie

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat dit wijzigingsplan in overeenstemming is met het rijksbeleid. Het betreft immers een locatie binnen het stedelijke gebied. Dit sluit aan bij bundeling van verstedelijking. Er is geen strijdigheid met de rijksbelangen.

Deze planontwikkeling is in overeenstemming met de provinciale Structuurvisie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte, omdat het plangebied binnen de BSD ligt zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 9 december 2014 en regionale afstemming over het woningbouwprogramma heeft plaatsgevonden. Het programma is opgenomen in de regionale Woonvisie. Mitsdien is het wijzigingsplan in overeenstemming met de provinciale belangen.

De planontwikkeling op onderhavige locatie past voorts binnen de uitgangspunten van het gemeentelijke beleid, zoals dat is vastgelegd in de hiervoor genoemde beleidsdocumenten.

Hoofdstuk 5 Water

5.1 Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding.
Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in onder meer de toelichting bij een wijzigingsplan. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2 Beleidskader rijk en provincie

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's.

Rijk
In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame veiligheid en zoetwatervoorziening.

Provincie
Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Provinciaal Waterplan 2010-2015. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven:

  • 1. Waarborgen waterveiligheid;
  • 2. Zorgen voor mooi en schoon water;
  • 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening;
  • 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem.

In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

5.2.1 Beleid Hoogheemraadschap van Rijnland

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit schap is in het gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bouwmogelijkheden op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. De Watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. De opmerkingen van de waterbeheerder worden verwerkt in deze waterparagraaf.

Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water.
Wat betreft de veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Voor voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken, zoals gemalen, duikers en stuwen, op orde zijn en toekomstbestendig worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering.
Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties.

In het Waterbeheersplan (WBP5) geeft Rijnland richting aan het waterbeheer in de periode 2016 – 2021. Dit is een uitwerking van het coalitieakkoord (2015), waarin het bestuur van Rijnland de koers voor de komende jaren heeft uitgezet. In maart 2016 is het WBP5 vastgesteld (zie http://www.rijnland.net/plannen/waterbeheerplan). In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.

Keur en beleidsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen),
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden,

maar ook aan:

  • onttrekken en lozen van grondwater,
  • het aanbrengen van verhard oppervlak.

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur in werking getreden met daarbij horende uitvoeringsregels. De Keur gaat uit van een “ja, tenzij” benadering; handelingen met een klein risico vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een watervergunning vereist (zie http://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels). De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Raadpleeg daarvoor de vergunningencheck via www.rijnland.net.

Hemelwater
Indien een toename van het verhard oppervlak plaats vindt, dient de initiatiefnemer een oppervlak ter grootte van minimaal 15% van het nieuw aan te leggen verhard oppervlak te reserveren voor extra open water. Het nieuwe open water moet aangesloten worden op het bestaande watersysteem. Uitgangspunt is dat de aanleg van verhard oppervlak geen negatieve gevolgen mag hebben op het watersysteem. In overleg met het hoogheemraadschap is het mogelijk om de compensatie-eis voor verhard oppervlak te verminderen door alternatieve maatregelen toe te passen.

Riolering en afkoppelen
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijv. door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

5.3 Waterhuishouding

Grondwaterbescherming
Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied noch grondwaterbeschermingsgebied.

Oppervlaktewater
In het plangebied zal het bestaande oppervlaktewater, alsmede de noodzakelijke uitbreiding hiervan als ‘Water’ worden bestemd die vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een belangrijke functie hebben.

Veiligheid en waterkeringen
Een zeer klein gedeelte van het plangebied ligt in de kern- en beschermingszones van een bestaande waterkering van het Noordeinde. Binnen deze smalle strook vindt geen bebouwing plaats. Wel zullen er duikers (of bruggen) worden aangelegd over de bestaande watergangen. Voor het bouwen binnen deze zone is een Watervergunning benodigd van het hoogheemraadschap. Initiatiefnemer zal hiervoor tijdig een watervergunning aanvragen. Dit is geborgd door het opnemen van een dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering in de regels van het wijzigingsplan.

Beschrijving waterkwantiteit
Op grond van de richtlijnen van het hoogheemraadschap dient 10% van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd met water, wanneer de verharding met meer dan 500 m² toeneemt ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. De exacte hoeveelheid compensatie is afhankelijk van het bergend vermogen van de bodem in het peilgebied. Het realiseren van watercompensatie is hier nodig, omdat het verhard oppervlak in het peilgebied toeneemt. In casu zal er circa 955 m² (zijnde 10% van 9.545 m²) vervangend water moeten worden gerealiseerd binnen het plangebied. De planopzet is zodanig dat 957 m² water wordt gerealiseerd. Compensatie vindt plaats door middel van aanleg en verbreding van de watergang ten zuiden van het plangebied. De nieuwe opgaven zijn in tabel 5.1 weergegeven.

Tabel 5.1 Wateropgave.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0011.png"

Waterafvoer
Bij nieuwe woningbouwlocaties is het de bedoeling om een (verbeterd) gescheiden rioolstelsel aan te leggen. Onderhavige planontwikkeling zal worden aangetakt op de aanwezige riolering. Het hemelwater van de daken van de woningen zal worden afgevoerd naar de aanwezige sloten c.q. de gemeentelijke riolering. Het afvalwater van de nieuwbouw zal op het riool worden aangesloten overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Geen gebruik wordt gemaakt van uitloogbare bouwmetalen. Voor vergunningplichtige activiteiten zal tijdig een Waterwetvergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap.

Conclusie
In het kader van de verplichte watertoets zal het ontwerp wijzigingsplan om advies worden voorgelegd aan Waternet (namens het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht). De door het Waterschap gemaakte opmerkingen worden verwerkt in de plantoelichting. Met inachtneming hiervan bestaan er vanuit waterhuishoudkundige overwegingen geen bezwaren tegen de in dit wijzigingsplan opgenomen planontwikkeling, nadat de waterbeheerder een positief wateradvies heeft gegeven.

Hoofdstuk 6 Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1 Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Luchthavenindelingsbesluit (LIB), Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid.

6.1.1 M.E.R.

Wettelijk kader
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit wijzigingsplan.

Onderzoek/ beoordeling
Algemeen
De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven.

Plan/besluit
Dit wijzigingsplan voorziet in het oprichten van 45 woningen. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Op basis van de kenmerken genoemd in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particulier projecten' dient te worden gemotiveerd waarom geen MER noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Het plan is getoetst aan de volgende kenmerken.

  • Kenmerken van het project

Sprake is van een geringe omvang van het plangebied, terwijl er geen cumulatie is met andere projecten. Evenmin is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen aan de orde. Voorts is er geen sprake van productie van afvalstoffen en verontreiniging. Hinder wordt ondervangen door voldoende afstand te houden van nabijgelegen milieubelastende activiteiten (in paragraaf 6.1.3 wordt hierop nader ingegaan). Risico van ongevallen speelt eveneens niet bij de voorgestelde functiewijziging.

  • Plaats van het project

Het plangebied is niet van historisch, cultureel of archeologisch belang. Dit aspect is beschreven in paragraaf 6.2. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', bevindt zich op een afstand van circa 4 km ten zuiden van het plangebied. De nieuwe woningen liggen niet binnen de invloedssfeer van dit Natura 2000-gebied. Dit laatste aspect is beschreven in paragraaf 6.3.

  • Kenmerken van het potentiële effect

Het project heeft in samenhang met de hiervoor genoemde criteria geen aanzienlijke effecten op de bevolking. Evenmin is er sprake van een grensoverschrijdend karakter. De complexiteit is gering gelet op de omvang van het plangebied.

Conclusie
Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije M.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben.

6.1.2 Luchthavenindelingsbesluit (LIB)

Wettelijk kader
Op 1 november 2002 heeft het kabinet de nieuwe milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het Luchthavenindelingsbesluit (LIB, gewijzigd op 23 augustus 2004), waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De nieuwe regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik had genomen. Deze regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij bestemmingsplannen en bij omgevingsvergunningen.
In het Luchthavenindelingsbesluit zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Het plangebied valt buiten het beperkingengebied als bedoeld in kaartbijlage 3B van het LIB (figuur 7).

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0012.png"

Figuur 7: Kaartbijlage 3b- beperkingengebied zone 4 (bron: LIB).

Onderzoek/ beoordeling
Beperkingsgebied Schiphol
Het plangebied ligt buiten het beperkingengebied, zone 4, het zogenaamde LIB4 gebied, zodat er uit dien hoofde geen beperkingen zijn.

Geluidscontour Schiphol
Binnen de 20 Ke geluidscontour van Schiphol mag buiten bestaand bebouwd/ stedelijk gebied alleen nog worden bijgebouwd als het saldo van sloop en nieuwbouw niet positief is. Concreet betekent dit dat er geen nieuw stedelijk gebied (woningbouw) mag worden ontwikkeld, met uitzondering van woningen die kunnen worden gerealiseerd in het kader van de Ruimte voor ruimte regeling. Herstructurering en intensivering in bestaand bebouwd / stedelijk gebied zijn binnen de 20 Ke-contour wel mogelijk.
Het plangebied aan de Noordeinde 13 e.o. maakt onderdeel uit van het zogenaamde ‘bestaand stads- en dorpsgebied 2014’ (BSD), zoals laatstelijk door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland op 9 december 2014 is vastgesteld. Dit betekent dat realisatie mogelijk is. Tegelijkertijd wordt wel opgemerkt dat toekomstige bewoners van onderhavige woningbouwontwikkeling rekening moeten houden met mogelijke geluidsoverlast in verband met de ligging binnen de 20Ke-geluidscontour van Schiphol.

Conclusie
Het Luchthavenindelingsbesluit staat de uitvoering van dit wijzigingsplan niet in de weg, omdat het plangebied in het bestaand stads- en dorpsgebied ligt en te typeren is als intensiveringsgebied.

6.1.3 Milieuzonering

Wettelijk kader
Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009).
De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.
Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor. Langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Onderzoek/ beoordeling
In het plangebied worden alleen woningen gerealiseerd, zodat sprake is van een rustige woonwijk. Dit betekent dat de richtafstanden zonder vermindering van één afstandstap dienen te worden aangehouden (tabel 6.1).

Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie   Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk   Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  

Met behulp van het inrichtingenbestand is geïnventariseerd welke activiteiten relevant kunnen zijn voor de geplande woningbouw. Voor het bepalen van de milieuzones is uitgegaan van de afstandnormen voor een rustige woonwijk op basis van de VNG-richtlijn. Uit de inventarisatie is gebleken dat voor deze planontwikkeling twee milieubelastende activiteiten relevant zijn, te weten:

  • a. het op ruim 65 meter oostelijk gelegen akkerbouwbedrijf aan de overzijde van het Noordeinde op nummer 6a en
  • b. de ten noorden van het plangebied op circa 50 meter afstand gelegen de R.K. basisschool Johannes de Doper aan de Sint Janstraat 21-23.

Deze activiteiten vallen onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. De richtafstand wordt in beide gevallen ruim in acht genomen. Gelet hierop is het mogelijk dat de nieuw te bouwen woningen zonder milieuhygiënische knelpunten kunnen worden gerealiseerd. In deze situatie is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie
Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit wijzigingsplan.

6.1.4 Geluid

Wettelijk kader

Wettelijk kader wegverkeerslawaai
Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk.

Wettelijk kader vliegtuiglawaai
Het Rijk wil voldoende groeimogelijkheden voor Schiphol en wil daarom voorkomen dat er meer mensen komen te wonen op plaatsen waar veel vliegtuiggeluid is. In de PKB Nota Ruimte (2004) is een gebied aangewezen waar geen nieuwe woningbouw mag plaatsvinden, de zogenaamde '20KE contour'. Uitgezonderd hiervan zijn woningbouwmogelijkheden die al bestonden volgens het in 2004 vigerende streekplan. In Zuid-Holland gaat het om gebieden binnen de rode contouren en om woningen die vanwege de ruimte-voor-ruimte regeling gebouwd mogen worden. In het geval dat binnen de 20KE contour gebouwd wordt, dient wel in het (steden)bouwkundig ontwerp rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van vliegtuiggeluid, ten einde de leefomgevingskwaliteit zo veel mogelijk overeind te houden, bijvoorbeeld door een betere geluidsisolatie in het dak toe te passen. Verder wordt verwezen naar paragraaf 6.1.2.

Wettelijk kader spoorweglawaai
Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register.

Wettelijk kader industrielawaai
Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform artikel 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (artikel 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan.

Onderzoek/ beoordeling
Wegverkeerslawaai
De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied zijn het Noordeinde en het Tochtpad. Op deze wegen is de maximum snelheid 50 tot 60 km/h. Deze wegen zijn binnenstedelijk en hebben een zonebreedte van 200/ 250 m. De overige wegen binnen een zone van 200 meter zijn zogenaamde 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden. Indien de gemeten belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder.
In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door S&W Consultancy B.V. te Vlissingen (rapport van 25 augustus 2017, rapportnummer 2160486, Bijlage 1). Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat ten gevolge van wegverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde van 48 (dB) Lden voor de woningen ten gevolge van genoemde wegen niet worden overschreden voor de woningen. De maximale waarde bedraagt voor de woningen in het plangebied 47 dB na 5 dB aftrek volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.
Vliegtuiglawaai
Het geluidsniveau luchtvaartlawaai (L den) wordt bepaald aan de hand van de gegevens www.bezoekbas.nl. Het geluidniveau luchtvaarlawaai bedraagt 53 dB. Uit voornoemd onderzoek van S&W Consultancy B.V. te Vlissingen blijkt dat het plan wordt geluidsbelast door luchtvaartlawaai. De hoogst aanwezige geluidsbelasting ten gevolge van luchtvaartlawaai bedraagt Lden = 53 dB.
In het kader van het Bouwbesluit zal voor deze woningen nog een onderzoek uitgevoerd worden naar de geluidwering van de gevels van de woningen. Bij dit onderzoek wordt uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen en luchtverkeerslawaai zonder aftrek op grond van artikel 110 Wet geluidhinder. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

Spoor- en industrielawaai
Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 4.1 van het Besluit geluidhinder (Bgh) iedere spoorlijn in beschouwing te worden genomen ter bepaling van de geluidsbelasting. Deze spoorwegen hebben een door de Minister vastgestelde zone, volgens artikel 1 van de Wet geluidhinder. Binnen deze zone dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorlijnen en (gezoneerde) industrieterreinen, zodat een akoestisch onderzoek voor deze onderdelen achterwege kan blijven.

Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit wijzigingsplan mogelijk maakt. Het Luchthavenindelingsbesluit staat de uitvoering van het voorliggende wijzigingsplan evenmin in de weg, omdat de woningbouwlocatie in het Bestaand stads- en dorpsgebied ligt. Bij het ontwerp van de woningen zal overeenkomstig het advies van het ministerie Infrastructuur en Milieu rekening worden gehouden met luchtvaartlawaai door bij de aanvragen omgevingsvergunning een akoestisch rapport te overleggen in het kader van het Bouwbesluit naar de geluidwering van de gevels van de woningen.

6.1.5 Bodem

Wettelijk kader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.

Onderzoek/ beoordeling
In verband met onderhavige planontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek overeenkomstig NEN 5740 uitgevoerd door Grondslag bodemkwaliteitsbureau te Kamerik (rapport van 29 mei 2017, project 12171, Bijlage 2). Uit de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport).

Onverdacht terrein
Er was op basis van de beschikbare gegevens geen aanleiding om op dit deel van de locatie een verontreiniging te verwachten. Omdat er in het verleden met bestrijdingsmiddelen is gewerkt is hierop aanvullend onderzocht. In zowel de grondmonsters van de bovengrond als de ondergrond en in het grondwater zijn maximaal lichte verhogingen aangetroffen. Hiermee wordt de gestelde hypothese voor dit

terreindeel niet geheel bevestigd. Geconcludeerd wordt de dit locatiedeel geschikt is voor het beoogde gebruik wonen. De hier eventueel vrijkomende hergebruiksgrond is indicatief getoetst als klasse Wonen.

Erf met bebouwing en asfalt- en betonverharding
Er zijn in grond en grondwater lichte tot matige verhogingen aangetoond aan zware metalen, minerale olie en vluchtige aromaten. Plaatselijk is PAK sterk verhoogd aangetroffen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Geconcludeerd wordt de dit locatiedeel vooralsnog niet geschikt is voor het beoogde gebruik Wonen. Om de onder de verharding aanwezige grond geschikt te maken voor het gebruik dient in ieder geval de aanwezige PAK-verontreiniging bij de boringen G01 en G03 verwijderd te worden. Aanbevolen wordt om voorafgaand aan het bouwrijpmaken van de locatie een BUSmelding in te dienen en na de sloop/verwijdering van de verharding deze grond te saneren. Deze grond zal moeten worden afgevoerd naar een verwerker. De overige ter hoogte van het erf vrijkomende grond onder de funderingslaag niet-sterk verontreinigde vrijkomende hergebruiksgrond is indicatief getoetst als klasse industrie en als niet toepasbaar in verband met het verhoogde minerale oliegehalte en zal dus afgevoerd dienen te worden mede in verband met het beoogde gebruik van de locatie, zijnde Wonen.

Sloot
Geconcludeerd is dat het vrijkomende slootslib als klasse Industrie en klasse A is beoordeeld en als verspreidbaar over de aangrenzende percelen. Aanbevolen wordt het slib (ruimschoots) voorafgaand aan het bouwrijpmaken van de locatie uit te baggeren en te verspreiden over het aangrenzende perceel. Het totaal te baggeren volume wordt ingeschat op circa 75 m³ op basis van een oppervlakte van 150 m² en een gemiddelde laagdikte van 0,5 m. De sloot kan vervolgens worden gedempt met lokale hergebruiksgrond van het onverdachte terreindeel. De zuidelijk gelegen sloot maakt geen deel uit van de onderzoekslocatie maar het slib zal naar verwachting een identieke kwaliteit hebben.

Asbest

De puinlaag onder de verhardingslaag is verkennend onderzocht op asbest. Gebleken is dat in het mengmonster (G01-G04 en G06) van de puinverharding onder het asfalt in zowel de grove als de fijne fractie, zintuiglijk als analytisch geen asbest is aangetroffen. De gestelde hypothese dat het fundatiemateriaal verdacht is op het voorkomen van asbest is niet bevestigd.
Onder de betonverharding (erf en betonpad) is geen verhardingslaag aangetroffen. In het mengmonster van de onderliggende bodem en in de bodem van de onverharde terreindelen (G05, G07-G11 en G14), met uitzondering van de omgeving van G13, is zowel zintuigelijk als analytische geen asbest aangetroffen.
Ten westen van de stal is in inspectiegat G13 één stukje asbest aangetroffen in de bovengrond. In de fijne fractie is analytisch geen asbest aangetoond. De toetsingswaarde voor nader onderzoek wordt niet overschreden.

Het westelijke deel van de gedempte sloot blijkt niet gedempt te zijn met puinhoudend dempingsmateriaal (SL01-SL03). In dit materiaal is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. Zintuiglijk is in het dempingsmateriaal uit de sleuven 04 en 05 geen asbest waargenomen. Op basis van de overige gegevens (waaronder het asbestonderzoek door Bodem en Milieu Consult uit 2007) wordt er geen asbest verwacht in dit deel van de demping. De gestelde hypothese dat de gedempte sloot verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond van het westelijke deel van de gedempte sloot is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetroffen. In het oostelijke deel is zintuiglijk geen asbest aangetroffen.

Aanbevolen wordt om voorafgaand en tijdens de sloop en het bouwrijp maken alert te blijven op het voorkomen van asbestverdacht materiaal op en in de bodem. Daarnaast wordt aanbevolen om na de sloop ter hoogte van de bebouwing aanvullend verkennend asbestonderzoek uit te voeren.

Voorts is een asbestinventarisatierapport uitgevoerd in verband met de te slopen woning aan het Noordeinde 13. Hieruit blijkt dat er geen redelijk vermoeden bestaat op de aanweziheid van de in de constructie verborgen asbesthoudende materialen.Als er tijdens sloop- of renovatiewerkzaamheden asbestverdachte materialen worden aangetroffen dient er alsnog een aanvullende asbestinventarisatie te worden uitgevoerd.
Asfalt
Eén van de vijf asfaltkernen van het erf met bebouwing geeft via de PAK marker aan teerhoudend te zijn. Gelet op de vermoedelijke ouderdom van het asfalt (van vóór 1995) wordt verwacht dat de gehele asfaltverharding teerhoudend is en afgevoerd dient te worden naar een externe verwerker. Om hierin meer zekerheid te krijgen wordt aanbevolen twee van de nog beschikbare asfaltkernen ten analyseren op het PAK gehalte door middel van een GCMS-analyse. De hoeveelheid af te voeren asfalt wordt geschat op circa 60 m³.

Fundatie
Er is voor zover nu bekend op het erf met bebouwing alleen een fundatielaag aangetroffen onder de asfaltverharding, bestaande uit menggranulaat, baksteen- en betonresten, grind en aardewerk en/of volledig bestaande uit baksteenresten.
Op basis van de beschikbare gegevens kan de fundatielaag bestaande uit menggranulaat, baksteen en betonresten worden aangeboden bij een verwerker. De hoeveelheid vrijkomend funderingsmateriaal wordt op basis van de beschikbare gegevens geschat op circa 400 m³ gebaseerd op een asfaltoppervlakte van 800 m² en een gemiddelde dikte van 0,5 m. Hergebruik op locatie is eveneens mogelijk.
Bij G06 is een dun laagje slakken (circa 0,15 meter dik) aangetroffen. Aanbevolen wordt bij en na het verwijderen van de verhardingen en de sloop bedacht te zijn op het voorkomen van verhardingsslakken. Deze dienen afzonderlijk te worden ontgraven en op locatie in depot te worden gezet. Afhankelijk van de vrijkomende hoeveelheid wordt een aanbevolen een AP04 keuring uit te voeren teneinde de toepassingsmogelijkheden te onderzoeken. Voor afvoer naar een verwerker wordt een indicatieve keuring aanbevolen.

De hoeveelheid dempingsmateriaal in het oostelijke deel van de gedempte sloot is op basis van de breedte (circa 3,5 m) en diepte (circa 2,0 m) van de gegraven sleuven SL04 en SL05 en de lengte van het tracé (55 m) geschat op circa 400 m³. Het dempingsmateriaal wordt op basis van de huidige onderzoeksresultaten als niet asbestverdacht bestempeld. In de fijne fractie van het dempingsmateriaal is tijdens voorgaand onderzoek PAK sterk verhoogd aangetroffen. Tijdens huidig onderzoek zijn in het puin sterke verhogingen aan olie en PAK aangetoond. Aanbevolen wordt dit dempingsmateriaal voorafgaand aan de sloop/het bouwrijp maken onder saneringscondities te verwijderen en af te voeren naar een externe verwerker.

Conclusie
Sanering van het erf met bebouwing dient plaats te vinden aan de hand van een door bevoegd gezag Wet bodembescherming goedgekeurd saneringsplan of zogenaamde BUS-Melding (categorie immobiel). De overige in het rapport genoemde aanbevelingen worden voorafgaande aan de sloop/ het bouwrijpmaken van het terrein overgenomen. Na afronding van de sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig.

Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van de Omgevingsdienst West-Holland.

6.1.6 Luchtkwaliteit

Wettelijk kader
De belangrijkste wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit is vanaf 15 november 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen). In de wet zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. In tabel 6.2 is een overzicht gegeven van de grenswaarden.

Tabel 6.2: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0013.png"

* Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wet milieubeheer behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • b. de luchtkwaliteit ten gevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • d. het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Verder is er met deze wijziging een wettelijke basis voor een Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit opgesteld.

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en /of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen.
De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd:

  • Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
  • Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.

Project is NIBM
Dit plan omvat de nieuwbouw van 45 woningen. Door de omvang van dit project is dit een project niet in betekenende mate, omdat sprake is van een woningbouwlocatie, die netto niet meer dan 1.500 woningen omvat. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden.
In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit in het plangebied aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden. Dit blijkt onder andere uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN), waar de achtergrondconcentraties van fijn stof en stikstofdioxide liggen (ruim) onder de normen liggen. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren, door het schoner worden van het verkeer, bovendien steeds beter.

Conclusie
De 45 woningen vallen onder de noemer “kleine projecten”, zodat voor deze planontwikkeling een luchtonderzoek achterwege kan blijven. Hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Luchtkwaliteitseisen) staat deze planontwikkeling dan ook niet in de weg.

6.1.7 Externe veiligheid

Wettelijk kader
Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd:

  • Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers.
  • Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

  • rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt.

Lokaal beleid: Beleidsvisie externe veiligheid gemeente Nieuwkoop
De gemeenteraad van de gemeente Nieuwkoop heeft in zijn vergadering van 31 maart 2011 de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Toetsing van externe veiligheid vindt plaats aan de hand van deze omgevingsvisie.

Onderzoek / beoordeling
Transport gevaarlijke stoffen
Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld.
Op 1 april 2015 is het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van het Basisnet beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Transport over water
Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport over spoor
Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen spoorbaan. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Wegtransport
Er ligt binnen een zone van 200 m van het plangebied geen provinciale- en/of rijksweg. Er is dus geen beperking voor het plangebied.

Transport per buisleiding
Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. Ten westen van het fietspad (Vijfbruggenpad) ligt op 25 m van het plangebied een ondergrondse hogedrukaardgasleiding van de Gasunie (leiding nr. W-529, diameter 12 inch en werkdruk 40 bar).

Plaatsgebonden risico
De Omgevingsdienst West-Holland heeft het rapport Kwantitatieve risicoanalyse hogedrukaardgasleiding Bestemmingsplan Kern Nieuwveen & Zevenhoven & Noordeinde opgesteld (rapport van 22 april 2016). Er is gerekend met populatiegegevens uit de 'populatieservice', aangevuld met 48 woningen op Noordeinde 13 e.o., vanwege een wijzigingsbevoegdheid op dat perceel. Uit deze risicoberekeningen volgt dat er ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebonden risico PR=10-6.

Voor de kern Noordeinde geldt:

  • ter hoogte van het plangebied is het groepsrisico 6,24* 10-4 * OW, ofwel het groepsrisico is kleiner dan 0,01*OW.
  • het maximaal berekende aantal dodelijke slachtoffers ter hoogte van het plangebied bedraagt 68.

Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen het 100% letaliteitsgebied en het 1%-letaliteitsgebied van de relevante leiding.

Verantwoording groepsrisico
Bij een hogedrukaardgasleiding wordt het maatgevend scenario veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg. Op grond van de ‘Handboek buisleiding in bestemmingsplannen’ (Ministerie IenM, 2010) bedraagt het invloedsgebied/ inventarisatieafstand (de afstand tot de leiding waar nog 1% van de aanwezigen kan overlijden, de zogenaamde 1% letaliteitgrens) van deze leiding 140 meter aan beide zijden van de leiding.
Op grond van artikel 8, lid a van het Regeling externe veiligheid buisleidingen jo artikel 12, 3e lid van het Bevb, is in dat geval een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet nodig. Hierna wordt ingegaan op de verantwoordingsparagraaf groepsrisico.

Inrichtingen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt.

Risicokaart Zuid-Holland
De risicokaart Zuid-Holland geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Uit de risicokaart (figuur 8) blijkt dat er, behoudens de westelijk gelegen gasleiding, in de directe omgeving van het plangebied geen potentiële risicobronnen aanwezig zijn, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0014.png"

Figuur 8: Uitsnede risicokaart Zuid-Holland (plangebied zwart omlijnd).

Verantwoording groepsrisico
Er dient een verantwoording GR te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van een westelijk gelegen hogedruk gasleiding. In verband hiermede moet de hoogte van het groepsrisico worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied en de omgeving voldoende is gewaarborgd.

Algemeen
Bij een beperkte verantwoording moet ingegaan worden op de aspecten hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het maatgevend scenario speelt hierbij een belangrijke rol.

Maatgevend scenario
Het maatgevend scenario is het ongevalscenario dat bepalend is voor het aantal slachtoffers van een calamiteit. Bij een hogedrukaardgasleiding wordt het maatgevend scenario veroorzaakt door leidingbreuk en ontsteking van het uitstromende gas met een fakkelbrandscenario tot gevolg. Voor dit scenario geldt dat er directe ontsteking plaatsvindt, waardoor er sprake is van een snel scenario. Vluchten is vrijwel niet mogelijk, waardoor het aantal dodelijke slachtoffers groot kan zijn. De tijdsduur van dit scenario is afhankelijk van de snelheid waarmee de gastoevoer van de leiding kan worden afgesloten.

Rampenbestrijding
Bij een eventuele calamiteit moeten hulpdiensten adequaat kunnen ingrijpen. Hiervoor zijn zowel de bereikbaarheid als de bestrijdbaarheid belangrijke elementen. Voor de bereikbaarheid gelden de volgende relevante aandachtspunten:

  • het plangebied moet goed bereikbaar en toegankelijk zijn voor hulpdiensten. Dit geldt ook voor de risicobronnen;
  • de wegen waarover de hulpdiensten aan moeten rijden, moeten minimaal 3 meter breed zijn en moeten een gewicht kunnen dragen van 10.000 kg asdruk.

Voor de bestrijdbaarheid gelden de volgende relevante aandachtspunten:

  • de aanrijtijd van de hulpdiensten;
  • de maximale afstand tussen een bluswatervoorziening en de inzetlocatie bedraagt 160 meter;
  • brandkranen moeten op 15 meter benaderbaar zijn;
  • om de 80 meter moeten brandkranen beschikbaar zijn (primaire bluswatervoorziening);
  • eventueel open water, dat benut kan worden als secundaire bluswatervoorziening.

Een uitgebreide beschrijving van aandachtspunten staat in de praktijkrichtlijnen Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de regionale Brandweer Hollands Midden. Om een calamiteit goed en snel te kunnen bestrijden is van belang dat de hulpdiensten snel ter plaatse zijn met de juiste hulpmiddelen en blusmiddelen. De wijze en de snelheid van alarmering en de bereikbaarheid van de locatie van een calamiteit spelen hierbij een essentiële rol. Bij de realisatie van Noordeinde 13 e.o. wordt met deze aandachtspunten rekening gehouden.

Zelfredzaamheid
Algemeen
Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: de mogelijkheid van personen om zichzelf, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, in veiligheid te brengen. De fysieke eigenschappen van personen, gebouwen en omgeving zijn van invloed op de zelfredzaamheid. Het zelfredzame vermogen van personen in de omgeving van een risicobron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het plangebied is niet specifiek bestemd voor verminderd zelfredzame personen. Hieronder is de zelfredzaamheid bij een calamiteit bij de gasleiding beschreven.

Calamiteit gasleiding
Bij dit calamiteitscenario is het van belang om zo snel mogelijk te vluchten. Binnen het plangebied en in de omgeving daarvan zijn voldoende geschikte vluchtroutes aanwezig die van de leiding af lopen. De vluchtmogelijkheden zijn voldoende.

Overige aspecten van invloed op zelfredzaamheid
Om het vluchten mogelijk te maken is het ook van belang dat er korte, goed begaanbare routes zonder obstakels zijn die van de risicobronnen af gericht zijn. Wel moet voorkomen worden dat deze routes gelijk zijn aan de aanrijroutes van de hulpdiensten, of deze kruisen. Dit om belemmeringen voor beide partijen te voorkomen.

Communicatie
Bij een eventuele calamiteit is van belang dat aanwezige personen weten wat hen te doen staat. Hierbij speelt een goede risicocommunicatie een belangrijke rol. Juist omdat de tijd tussen alarmering en gevaarzetting zo kort kan zijn, is het van het grootste belang dat na alarmering direct actie ondernomen wordt. Een snelle alarmering is hierbij essentieel. De gemeente zal periodiek aandacht besteden aan de risico’s en wat te doen in geval van een calamiteit.

Advies Veiligheidsregio Hollands-Midden
De Veiligheidsregio Hollands-Midden heeft bij brief van 6 oktober 2016 advies uitgebracht over bovenstaande verantwoording.

Toetsing gemeentelijk en provinciaal beleid
Toetsing gemeentelijk beleid
In paragraaf 4.2.1 van de gemeentelijke Beleidsvisie externe veiligheid zijn de volgende voor dit plan relevante uitgangspunten opgenomen:

  • 1. geen nieuwe risicobronnen in woongebieden;
  • 2. het groepsrisico is gemaximaliseerd op de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico;
  • 3. woon- en verblijfsgebouwen voor beperkt zelfredzame personen worden in woongebieden geplaatst en buiten de invloedsgebieden van activiteiten met gevaarlijke stoffen.

Het plan voldoet aan deze uitgangspunten.

Toetsing provinciaal beleid
De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico wordt niet overschreden. Gelet op de omgeving is een overschrijding voor de toekomst niet te verwachten. Er wordt voldaan aan het provinciaal beleid.

Conclusie met betrekking tot gasleiding
Aan de rand van het plangebied ligt een gasleiding als risicobron. Het gaat hierbij om een ondergrondse hogedrukaardgasleiding. Hieronder zijn in het kort de belangrijkste conclusies en te nemen maatregelen samengevat:

  • Plaatsgebonden risico: Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 van een van de risicobronnen. Het plaatsgebonden risico leidt volgens de geldende regelgeving niet tot beperkingen voor het plangebied.
  • Hoogte groepsrisico: Het groepsrisico als gevolg van de voor het plangebied relevante risicobronnen is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico.
  • Toetsing gemeentelijk en provinciaal beleid: Er wordt voldaan aan de uitgangspunten van zowel de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid als van het provinciaal beleid.
  • Maatregelen ter beperking van het groepsrisico:
    • 1. Bij de inrichting van het plangebied wordt rekening gehouden met de realisatie van adequate vluchtwegen.
    • 2. Bij de realisatie wordt rekening gehouden met de aandachtspunten voor bereikbaarheid en bestrijdbaarheid.
    • 3. De gemeente informeert periodiek over de risico’s en wat te doen bij een calamiteit.

Verantwoording
Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Nieuwkoop hebben kennis genomen van het vorenstaande en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar.

Eindconclusie
Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.
Vanuit spoor-, vaarwegen, wegtransport, buisleidingen en inrichtingen gelden geen beperkingen voor het plangebied. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BEVB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) staat de uitvoering van dit wijzigingsplan dan ook niet in de weg.

6.2 Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader Rijk en provincie
In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn:

  • archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);
  • in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;
  • de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden.
In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland provincie Zuid-Holland (CHS) is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. De CHS geeft grofschalig weer wat de 'archeologische trefkans/ verwachting' is. Op basis van de gehanteerde/ gebruikte gegevens heeft het plangebied lage kans op archeologische sporen (zie figuur 9).

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0015.png"

Figuur 9: Gecombineerde Waardenkaart CHS provincie Zuid-Holland.

Archeologiebeleid gemeente Nieuwkoop
Het archeologisch beleid van Gemeente Nieuwkoop sluit aan op de Provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS). Ten behoeve hiervan heeft de gemeenteraad de "Erfgoedverordening 2010" vastgesteld. De waardering is opgebouwd uit archeologische, historisch landschappelijke en historisch (steden)bouwkundige elementen en structuur. Wat betreft de archeologische verwachtingswaarde waarden is onderscheid gemaakt in een viertal gebieden, te weten:

  • 1. Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen (stads- of dorpskern);
  • 2. Gebieden met een zeer grote kans op archeologische sporen;
  • 3. Gebieden met een redelijke tot grote kans op archeologische sporen;
  • 4. Gebieden met een kleine kans op archeologische sporen.

Naast gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, wordt er in de CHS tevens onderscheid gemaakt in archeologische monumenten van hoge waarde, zeer hoge waarde en beschermde monumenten. Deze laatste drie komen echter niet voor in de gemeente Nieuwkoop. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de verschillende te onderscheiden gebieden met archeologische waarden of verwachtingswaarden is echter wel een diepte- en oppervlakte ondergrens voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek gekoppeld. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied een lage trefkans op archeologische sporen is (zie figuur 10).

Conclusie
Het plangebied ligt in een niet-gezoneerd gebied wat betekent dat er geen archeologische verwachting is aangewezen. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Er worden dan ook geen voorwaarden gesteld met betrekking tot archeologie aan de aan te vragen omgevingsvergunningen. Wel geldt altijd het volgende:

Melding toevalsvondst
In geval bij de werkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek. Voor het melden van vondsten kan gebruik worden gemaakt van het E-formulier Vondstmelding dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft ontwikkeld of kan contact opgenomen worden met de InfoDesk van de RCE (info@cultureelerfgoed.nl of 033-4217456) of het ARCHIS meldpunt.

6.2.1 Monumenten

In het plangebied komen geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten voor. Er is geen beperking voor het plangebied.

Conclusie
Het initiatief tast de cultuurhistorische en archeologische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

6.3 Flora en fauna

Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS)/ het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of – landschap.

Onderzoek/ beoordeling
In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen speciale beschermingszones aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn, zodat uit dien hoofde geen beperkingen worden opgelegd aan deze woningbouwontwikkeling.
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck', bevindt zich op een afstand van circa 4 km ten zuiden van het plangebied. Sprake is alleen van een kleinschalige woningbouwontwikkeling, zodat dit Natura2000-gebied niet wordt beïnvloed. Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht.
Het plangebied ligt voorts niet in de nabijheid van Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, figuur 10). De functiewijziging heeft geen nadelige gevolgen voor de ecologische hoofdstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0569.wpNWVZHnoordeind13-on01_0016.png"

Figuur 10: Ecologische hoofdstructuur in de directe omgeving van het plangebied (plangebied met een rode stip aangeduid).

6.3.1 Flora- en faunatoets

Bij een bestemmingsplanwijziging moet bekeken worden wat het effect is op de aanwezige flora- en fauna. In verband hiermede heeft Groot Eco Advies een flora- en faunatoets uitgevoerd (rapport van 14 maart 2017, projectnummer 2017-010, Bijlage 3). Op basis van een inventarisatie, literatuuronderzoek en een verkennend onderzoek kunnen de volgende conclusies en aanbevelingen worden getrokken (overgenomen uit het rapport):

Beschermde soorten
Op basis van de quickscan wordt geconstateerd dat de locatie potentieel geschikt zijn voor een aantal krachtens de provinciale verordening vrijgestelde soorten. Voor deze soorten is geen ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. Daarnaast komen mogelijk soorten voor die niet zijn vrijgesteld en waarvoor, indien zij voorkomen, ontheffing nodig is. Om de aan- of afwezigheid van een soort vast te stellen is gericht veldonderzoek nodig naar Huismus, Gierzwaluw, Steenuil, Ringslang, Rugstreeppad en vleermuizen.

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied. In de omgeving van de locatie liggen delen van het NatuurNetwerk Nederland (voorheen EHS). Het NatuurNetwerk Nederland kent geen externe werking. Gebiedsbescherming is derhalve niet aan de orde.

Aanbevelingen
Bij het omleggen van de sloot dient in het kader van de zorgplicht rekening te worden gehouden met aanwezige vissoorten. Dit geldt ook voor de beschermde, maar vrijgestelde amfibieën en zoogdieren. Dit kan door het wegvangen van exemplaren onder ecologische begeleiding.

Algemene Zorgplicht
De Wet natuurbecherming erkent de intrinsieke waarde van het in het wild levende dier. Dat betekent dat voor de wet alle dieren van onvervangbare waarde zijn en dat mensen daar niet onzorgvuldig mee mogen omspringen. Vanuit deze gedachte is de zorgplicht in de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (en dus niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is een algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. Concreet betekent dit dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Bij de aanvang van het project dient de 'Zorgplicht' als genoemd in de Wet natuurbescherming te worden besproken.

Conclusie
Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er nader veldonderzoek nodig naar Huismus, Gierzwaluw, Steenuil, Ringslang, Rugstreeppad en vleermuizen. De resultaten van dit onderzoek zullen worden opgenomen in het bestemmingsplan, voordat dat vaststelling wordt overgegaan.

6.4 Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten

6.4.1 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen geen planologisch relevante watertransportleidingen en gastransportleidingen, zodat een beschermende regeling niet nodig is.

Hoofdstuk 7 Juridische opzet

7.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het wijzigingsplan, de plankaart (de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling) en de regels.

7.2 Verbeelding

Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.

7.3 Regels

De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten.
  • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkings- en wijzigingsregels opgenomen.
  • Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
7.3.1 Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.

Artikel 1 Begrippen
In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot.

Artikel 2 Wijze van meten
In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

7.3.2 Bestemmingsregels

Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of vanwerkzaamheden.

Artikel 3 Groen
Het structuurbepalend groen heeft de bestemming 'Groen' gekregen. Het snippergroen valt in het voorliggende wijzigingsplan binnen de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’. Binnen de bestemming is het mogelijk om zaken als speelplaatsen, waterlopen te realiseren. Binnen groen zijn in principe geen gebouwen toegestaan. Uitzondering hierop vorm de gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut.

Artikel 4 Tuin
De bestemming ‘Tuin’ is in de regel opgenomen voor de tuinen voor de voorgevel van de woning. Ook komt deze voor op delen van tuinen die grenzen aan openbaar gebied. Door het hanteren van een afzonderlijke bestemming ‘Tuin’ wordt een duidelijk en "groen" beeld gecreëerd. In de tuin zijn geen woningen of bijgebouwen toegestaan. Deze moeten worden gebouwd binnen de bestemming ‘Wonen’. Op deze manier ontstaat een duidelijke tweedeling: de woonbestemming waarbinnen de woning en de bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd en de tuin waar slechts andere bouwwerken (zoals schuttingen, speeltoestellen en tuinmeubilair) mogen worden gebouwd. Erkers zijn mogelijk; hiervoor is in de regels een specifieke ‘erkerregeling’ opgenomen.

Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied
Voor de wegen in het plangebied is de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ opgenomen. In deze bestemming zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut toegestaan, evenals bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat straatverlichting en bewegwijzering (verkeersgeleiding, verkeersregeling, wegaanduiding) en afvalcontainers ook vergunningvrij zijn.

Artikel 6 Water
Deze bestemming is gebruikt voor het (bestaande) oppervlaktewater die vanuit waterhuishoudkundig oogpunt een belangrijke functie hebben. Op gronden met de bestemming ‘Water’ zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een bouwhoogte van 3 meter. Ook zijn specifieke bouwregels voor steigers of aanleggelegenheden opgenomen. Het uitvoeren van werkzaamheden binnen de gronden met de bestemming 'Water' is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Onder dergelijke werkzaamheden vallen onder andere heiwerkzaamheden en het aanleggen van kabels en leidingen.

Artikel 7 Wonen
De op de verbeelding voor 'Wonen' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor grondgebonden woningen met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de huisvesting van personen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen en aan- of uitbouwen en andere bouwwerken. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Per bouwvlak is het maximum aantal woningen vermeld. In totaal mogen in het plangebied niet meer dan 45 woningen worden gerealiseerd. In de regels zijn de maximale goot- en bouwhoogten aangegeven. Deze bedraagt respectievelijk 6 en 10 meter. Buiten het bouwvlak zijn bijbehorende bouwwerken (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) toegestaan.

Bijbehorende bouwwerken (Aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen)
In het wijzigingsplan zijn regels opgenomen voor het oprichten van erfbebouwing bij de woningen in de vorm van bijbehorende bouwwerken (aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen). Dit betreft regels voor de situering, oppervlakte, hoogte en bouwvorm van erfbebouwing, alsmede regels om een zekere verhouding bebouwd-onbebouwd zeker te stellen bij woonpercelen. In de gemeente Nieuwkoop wordt daartoe de volgende ‘standaard’ bijgebouwenregeling gehanteerd in het stedelijke gebied.
Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak van de bestemming ‘Wonen’ worden gebouwd, waarbij voor de omvang een zogenaamde ‘getrapte regeling’ wordt gehanteerd zoals die reeds is vastgelegd in de regels van het bestemmingsplan.
Tot een bouwperceel met een oppervlakte van 500 m² is maximaal 50 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan, mits het mits het bouwperceel, gelegen buiten het bouwvlak, voor niet meer dan 50% is dan wel wordt bebouwd. Voor woningen op een bouwperceel groter dan 500 m² is maximaal 80 m² aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Op grote kavels is dus meer mogelijk dan op kleinere kavels. Bij kleine kavels ondervinden de buren namelijk doorgaans eerder hinder van de bebouwing op het naastgelegen erf dan bij grote kavels en voorkomen moet worden dat kleine achtererven helemaal dichtslibben met bebouwing.
Verder zijn er maximale goot- en bouwhoogten voor bijbehorende bouwwerken in de regels opgenomen. Deze zijn gesteld op respectievelijk 3 en 5,5 meter. Ook voor het bouwen van overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn nadere bouwregels opgenomen.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering
In het belang van de aanwezige waterkeringen, met bijbehorende beschermingszone(s) in het plangebied is er een beschermingszone opgenomen. Deze strook is mede bepalend voor het waterkerend vermogen en de stabiliteit van de waterkering. De betreffende gronden zijn aangewezen voor waterkeringsdoeleinden. Deze gronden zijn als zodanig bestemd in combinatie met andere aan deze gronden gegeven bestemmingen.

7.3.3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn.

Artikel 9 Antidubbeltelbepaling
Het artikel 'Antidubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het wijzigingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot.

Artikel 10 Algemene bouwregels
In het artikel 'Algemene bouwregels' is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons, kelders en ondergronds bouwen.

Artikel 11 Algemene gebruiksregels
In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen. Voorts zijn hier bepalingen opgenomen over de aan te houden parkeernormen.

Artikel 12 Algemene aanduidingsregels
Hier is de aanduiding opgenomen die meer dan 1 bestemming bestrijkt, te weten de 20 KE zone rond Schiphol (aanduiding ‘luchtvaartverkeerszone-20ke’).

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels
Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht en (openbare) nutsvoorzieningen worden gerealiseerd.
Aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid dient een belangenafweging ten grondslag te liggen. Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen.

7.3.4 Overgangs- en slotregels

Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.

Artikel 14 Overgangsrecht
Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het wijzigingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming.

Artikel 15 Slotregel
Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het wijzigingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.

7.4 Handhaving wijzigingsplan

Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een wijzigingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het wijzigingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een wijzigingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels.

Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid:

  • 1. Voldoende kenbaarheid van het plan

Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het wijzigingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de wijzigingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd.

  • 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan

De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak.

  • 3. Realistische en inzichtelijke regeling

Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is.

  • 4. Actief handhavingsbeleid

Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.

Hoofdstuk 8 Economische uitvoerbaarheid

8.1 Financiële haalbaarheid

De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale, regionale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.

Hoofdstuk 9 Maatschappelijke betrokkenheid

9.1 Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp wijzigingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties. De resultaten hiervan zijn verwerkt in de Nota van beantwoording zienswijzen en resultaten vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro.

9.2 Communicatie

Hier volgt een bespreking van de momenten dat omwonenden ingelicht en betrokken zijn bij de planvorming en hoe de argumentatie zijn weerslag in het wijzigingsplan heeft gevonden. Op DDMMJJ is een informatiebijeenkomst gehouden.

Resultaten: PM.

9.3 Zienswijzen

Overeenkomstig artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening is uitvoering gegeven aan de eis het ontwerp wijzigingsplan ter inzage te leggen vanaf .. gedurende zes weken. In deze periode zijn ... wel/ geen zienswijzen ontvangen en die hebben wel/ niet tot de volgende wijzigingen geleid.

PM.